Ambtelijk rapport/verslag.
Origineel
Ambtelijk rapport/verslag. 6 januari 1939 (6/1 '39). Rapport.
Ondergetekende, J. van Leeuwen, contrôleur bij het Marktwezen, rapporteert U dat hem j. l. Zaterdag, toen hij belast was met de inning der tuindersgelden, door eenige tuinders op Pier D, te weten: G. H. M. Appelboom, G. C. Boot, A. J. G. Bakker, J. J. Th. Behrens, werd gevraagd wat voor hen het gevolg zou zijn van de opschuiving der markt tuinders, m. a. w. hoeveel tuinders van Pier D naar Pier C. zouden opschuiven. Toen ik hen daarop antwoordde dat 10 à 12 tuinders deze opschuiving zouden maken en bovendien P. W. J. Blom vroege tuinder werd, trokken allen deze mededeeling mijnerzijds in twijfel aangezien, zoo was althans de uitlating van Bakker, Ome Nico (hiermede wordt bedoeld den heer Dijkgrave) het toch wel zoo bekokstoofd zou hebben dat zijn zoon, C. N. Dijkgrave op de „kop“ van Pier D zou blijven.
Deze uitlating had de volle instemming van de andere tuinders die daarbij aanwezig waren, waarbij nog opgemerkt werd dat ze in de vaste overtuiging verkeerden dat G. H. Rearts de voorste plaats (= D 131) in 1939 zou bezetten (in overeenstemming met de indeeling door de V. T. B. gemaakt.)
Toen ik hen daarna nogmaals pertinent verklaarde dat A. de Wit als laatste tuinder op Pier C. was ingedeeld en dat dit in verband stond met het feit dat enkele tuinders uitgevallen zijn omdat zij zich als insenders Veiling opgaven was het J. J. Th. Behrens die daarop zeide: als het Marktwezen hier op zulk een eerlijke wijze de opschuiving behandelt ga ik mee naar Pier C en niet veilen. De zichtbare en hoorbare instemming met deze woorden vestigde bij mij de indruk dat het rechtsgevoel van deze mensen met onze indeeling volkomen bevredigd was.
De Contrôleur
(w.g.) J. van Leeuwen
6/1 '39.
Aan den Heer Bedrijfschef
der Centr. Markt. * Kern van de zaak: Het document beschrijft een moment van wantrouwen onder de tuinders aan de Centrale Markt. Er heerste een vermoeden van vriendjespolitiek (nepotisme). Men dacht dat een invloedrijke figuur ("Ome Nico" Dijkgrave) de boel zo had geregeld ("bekokstoofd") dat zijn zoon een gunstige plek op de "kop" van de pier zou behouden.
* Rol van de contrôleur: J. van Leeuwen fungeert hier als bemiddelaar en handhaver. Door feitelijke informatie te geven over de nieuwe indeling (waarbij A. de Wit de laatste op Pier C is), ontkracht hij de geruchten.
* Resultaat: De tuinders zijn opgelucht dat de regels eerlijk worden toegepast. De uitspraak van Behrens ("als het Marktwezen hier op zulk een eerlijke wijze de opschuiving behandelt...") toont aan dat transparantie essentieel was voor de sociale vrede op de markt.
* Taalgebruik: Het rapport is geschreven in de formele, ambtelijke stijl van voor de Tweede Wereldoorlog, met gebruik van de naamval "den" en woorden als "mijnerzijds" en "pertinent". Dit rapport dateert van januari 1939, een tijd waarin de Centrale Markt in Amsterdam (geopend in 1934) het kloppende hart was van de voedseldistributie. De standplaats op de pieren was voor tuinders van groot economisch belang; een plek op de "kop" betekende een betere zichtbaarheid en bereikbaarheid voor kopers. De vermelding van de V.T.B. (waarschijnlijk de Veiling- en Tuinbouwvereniging) wijst op de nauwe samenwerking tussen de marktmeesters en de sectororganisaties bij het toewijzen van plaatsen. Het document geeft een uniek inkijkje in de dagelijkse beslommeringen, de sociale hiërarchie en de angst voor vriendjespolitiek binnen de Amsterdamse marktwereld aan de vooravond van de oorlogsjaren.