Archief 745
Inventaris 745-296
Pagina 320
Dossier 4
Jaar 1939
Stadsarchief

Officiële ambtelijke brief van de Gemeente Amsterdam.

3 november 1939 (handgeschreven correctie op getypte datum "October"). Van: De Wethouder voor het Onderwijs. Aan: De Wethouder voor de Levensmiddelen.

Origineel

Officiële ambtelijke brief van de Gemeente Amsterdam. 3 november 1939 (handgeschreven correctie op getypte datum "October"). De Wethouder voor het Onderwijs. De Wethouder voor de Levensmiddelen. GEMEENTE AMSTERDAM

№ 646 L.M. 1939 3/II

AFD. O.
No. 4079.
BIJLAGEN: 2.

AMSTERDAM, 3 Nov October 1939.

MEN WORDT VERZOCHT BIJ HET ANTWOORD NAUWKEURIG HET NUMMER EN DE AFDEELING VAN DIT SCHRIJVEN TE VERMELDEN.

[Handgeschreven aantekening linksboven:]
Wilt u terug naar Dr welke verwijzingen voor vorige stukken bijeen v [...]?

Onder terugzending van het bijgaande rapport van den Directeur van het Marktwezen d.d. 2 October j.l. No. 66/21/3 M., moet ik U als mijn meening te kennen geven, dat ik het niet juist acht, dat voor de kantoren en pakhuisruimte van de markthallen, die blijkbaar tot dusver niet verhuurd waren, thans een vergoeding wordt gevraagd aan de afdeelingen of diensten, die daarvan gebruik maken om tijdelijk boeken of administratieve bescheiden enz. op te bergen, welke met het oog op de bescherming tegen luchtgevaar, verwijderd moesten worden uit de gebouwen, waarin zij zich tot dusver bevonden. Niet alleen zou daardoor de bedrijfsrekening van de markthallen gedurende enkele jaren misschien baten aanwijzen, die voor de Gemeente als zoodanig niet bestaan en na het einde van den oorlogstoestand onmiddellijk weder wegvallen, maar Burgemeester en Wethouders zouden voor de desbetreffende diensten enz. extra gelden aan den Raad moeten vragen, omdat op hunne begrootingen op deze uitgaven niet gerekend is.

Ik zou U daarom in overweging willen geven, aan Burgemeester en Wethouders voor te stellen in de vorenbedoelde gevallen geen verrekening te doen geschieden.

Ik voeg hier tevens bij het mij door den Bibliothecaris te dezer zake gerapporteerde in diens brief van 12 October j.l., No. 114 O.

T.
De Wethouder voor het Onderwijs,
[Signatuur]

Aan
den heer Wethouder voor de
Levensmiddelen.

Model G.A. 7
25.000-1-'39 In deze brief protesteert de Wethouder voor het Onderwijs tegen het plan van de Dienst van het Marktwezen om huur in rekening te brengen voor het gebruik van leegstaande markthallen. Deze ruimtes werden op dat moment gebruikt voor de noodopslag van boeken en archieven die geëvacueerd waren uit hun reguliere locaties vanwege de dreiging van luchtaanvallen ("bescherming tegen luchtgevaar").

De wethouder voert twee belangrijke argumenten aan:
1. Boekhoudkundig: Het zou een vertekend beeld geven van de winstgevendheid van de markthallen. Voor de gemeente als geheel zijn er geen extra inkomsten (interne verrekening), en zodra de oorlogsdreiging wijkt, verdwijnen deze "inkomsten" weer.
2. Budgettair: De diensten die hun archieven daar stallen (zoals de bibliotheek), hebben hiervoor geen budget op hun begroting staan. Het doorberekenen van huur zou leiden tot onnodige bureaucratie en extra kredietaanvragen bij de Gemeenteraad.

De kern van de brief is een pleidooi voor pragmatisme in crisistijd boven strikte interne doorberekening. De brief dateert van november 1939, kort na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Europa (september 1939). Hoewel Nederland op dat moment nog neutraal was, was de dreiging van een inval en vooral van grootschalige luchtbombardementen zeer reëel. De Luchtbeschermingsdienst (LBD) was in Amsterdam al zeer actief.

Onderdeel van de voorbereidingen op oorlog was het veiligstellen van kwetsbaar en onvervangbaar materiaal, zoals bibliotheekcollecties en ambtelijke archieven. De Centrale Markthallen (geopend in 1934) boden grote hoeveelheden ongebruikte, stevige ruimte die relatief veilig werd geacht voor tijdelijke opslag. Dit document illustreert hoe dergelijke grootschalige noodmaatregelen direct leidden tot interne politieke en financiële discussies binnen het gemeentebestuur over de verdeling van kosten en baten.

Samenvatting

In deze brief protesteert de Wethouder voor het Onderwijs tegen het plan van de Dienst van het Marktwezen om huur in rekening te brengen voor het gebruik van leegstaande markthallen. Deze ruimtes werden op dat moment gebruikt voor de noodopslag van boeken en archieven die geëvacueerd waren uit hun reguliere locaties vanwege de dreiging van luchtaanvallen ("bescherming tegen luchtgevaar").

De wethouder voert twee belangrijke argumenten aan:
1. Boekhoudkundig: Het zou een vertekend beeld geven van de winstgevendheid van de markthallen. Voor de gemeente als geheel zijn er geen extra inkomsten (interne verrekening), en zodra de oorlogsdreiging wijkt, verdwijnen deze "inkomsten" weer.
2. Budgettair: De diensten die hun archieven daar stallen (zoals de bibliotheek), hebben hiervoor geen budget op hun begroting staan. Het doorberekenen van huur zou leiden tot onnodige bureaucratie en extra kredietaanvragen bij de Gemeenteraad.

De kern van de brief is een pleidooi voor pragmatisme in crisistijd boven strikte interne doorberekening.

Historische Context

De brief dateert van november 1939, kort na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Europa (september 1939). Hoewel Nederland op dat moment nog neutraal was, was de dreiging van een inval en vooral van grootschalige luchtbombardementen zeer reëel. De Luchtbeschermingsdienst (LBD) was in Amsterdam al zeer actief.

Onderdeel van de voorbereidingen op oorlog was het veiligstellen van kwetsbaar en onvervangbaar materiaal, zoals bibliotheekcollecties en ambtelijke archieven. De Centrale Markthallen (geopend in 1934) boden grote hoeveelheden ongebruikte, stevige ruimte die relatief veilig werd geacht voor tijdelijke opslag. Dit document illustreert hoe dergelijke grootschalige noodmaatregelen direct leidden tot interne politieke en financiële discussies binnen het gemeentebestuur over de verdeling van kosten en baten.

Gerelateerde Documenten 6