Ambtelijk voorstel / Brief aan het college van Burgemeester en Wethouders (B. en W.).
Origineel
Ambtelijk voorstel / Brief aan het college van Burgemeester en Wethouders (B. en W.). 15 april 1939 (met ontvangststempel 17 april 1939). [Linksboven in de marge:]
Voorstel om aan
W. Grevenstuk en
A. Swaab den toegang
tot de Centrale Markt te
ontzeggen.
[Rechtsboven:]
A’dam, 15/4 1939
W. h. M.
17/4 - ’39
[Hoofdtekst:]
In bijlage dezes heb ik de eer U een afschrift te doen toekomen van een op 12 dezer door den marktopzichter Buiting opgemaakt rapport, waaruit blijkt, dat W. Grevenstuk, Badhoevelaan 51 Rijk-Haarlemmermeer zich op dien datum op de Centrale Markt heeft schuldig gemaakt aan diefstal van ledige kisten ten nadele van zijn patroon, den grossier Pouw. Grevenstuk erkent den diefstal. Terzake is door voornoemden marktopzichter proces-verbaal opgemaakt.
Ingevolge het bepaalde in artikel 35 lid 1 van het Reglement op de Centrale Markt heb ik Grevenstuk voornoemd den toegang tot die markt ontzegd voor de periode van 14 tot en met 27 April 1939.
Het lijkt mij noodzakelijk, dat Grevenstuk, die bekende nog eenige malen zich van diefstal van ledige kisten te hebben schuldig gemaakt en die speciaal door Pouw was aangesteld voor de verzorging van het ledige fust, door B. en W. voor geruimen tijd van de centrale markt wordt geweerd.
Ik moge U mitsdien beleefd verzoeken wel te willen bevorderen, dat hij bij besluit van B. en W., ingevolge het bepaalde in lid 2 van vorenaangehaald artikel wordt gestraft met ontzegging van het recht van toegang tot de Centrale Markt voor de periode van 28 April tot en met 31 December 1939.
Ten aanzien van A. Swaab, wonende Rapenburgerstraat 106 I, staat de zaak anders. Swaab ontkent alle schuld, doch gezien de antecedenten van dezen persoon is het noodzakelijk, dat strenge maatregelen tegen hem worden genomen. Het document is een formeel schrijven van een marktautoriteit (vermoedelijk de directeur van de Centrale Markt) aan het Amsterdamse stadsbestuur. De kern van het schrijven is een verzoek om een zware tuchtrechtelijke sanctie op te leggen aan een arbeider.
Er worden twee gevallen behandeld:
1. W. Grevenstuk: Hij is op heterdaad betrapt en heeft bekend vaker lege kisten te hebben gestolen van zijn werkgever (grossier Pouw). De marktmeester heeft hem al een voorlopige ontzegging van twee weken opgelegd, maar vindt dit onvoldoende. Hij stelt voor om Grevenstuk voor de rest van het jaar (ruim 8 maanden) de toegang tot de markt te ontzeggen.
2. A. Swaab: Hoewel er in zijn geval blijkbaar minder direct bewijs is (hij ontkent), wordt er op basis van zijn "antecedenten" (vroegere misdragingen of strafblad) aangedrongen op een eveneens strenge aanpak.
Het taalgebruik is typisch voor de vooroorlogse bureaucratie: hoffelijk ("heb ik de eer U"), juridisch nauwkeurig ("ingevolge het bepaalde in artikel 35") en moraliserend. De Centrale Markt in Amsterdam (geopend in 1934 aan de Jan van Galenstraat) was cruciaal voor de voedselvoorziening van de hoofdstad. Om de handel ordelijk te laten verlopen, gold er een streng reglement. Diefstal van "fust" (verpakkingsmateriaal zoals kisten) was een groot probleem; deze kisten hadden waarde en werden vaak hergebruikt of tegen statiegeld ingeleverd.
De brief dateert van april 1939, een periode van economische spanning en sociale controle vlak voor de Tweede Wereldoorlog. De vermelding van het woonadres van Swaab in de Rapenburgerstraat plaatst hem in de toenmalige Joodse buurt van Amsterdam. Het feit dat iemands "antecedenten" zwaarder wegen dan het ontbreken van een bekentenis, getuigt van de strenge handhaving die destijds op de markten gebruikelijk was om de integriteit van de handel te waarborgen.