Archief 745
Inventaris 745-300
Pagina 293
Dossier 37
Jaar 1939
Stadsarchief

Getypte officiële bekendmaking of toevoeging aan een verordening.

Origineel

Getypte officiële bekendmaking of toevoeging aan een verordening. Burgemeester en Wethouders hebben aan de voorwaarden,
verbonden aan de Ventvergunningen, toegevoegd:

19⁰ dat, indien met aal gevent wordt, deze gedurende de
maanden November tot en met April niet wordt meegevoerd
of ten verkoop in voorraad gehouden in zaagsel, zand of
andere poeder- of korrelvormige stoffen. Deze tekst betreft een specifieke aanvullende voorwaarde (artikel 19⁰) voor straatverkopers (venters) die aal verhandelen. De kern van de maatregel is een verbod op het gebruik van zaagsel, zand of vergelijkbare stoffen bij het vervoeren of opslaan van de vis gedurende het winterhalfjaar (november t/m april).

Het doel van deze maatregel was waarschijnlijk gelegen in de volksgezondheid of hygiëne. Het bewaren van vis in zaagsel of zand was een oude methode om de vis (soms levend) te transporteren of koel te houden, maar dit bracht risico's op verontreiniging met zich mee. De specifieke tijdsperiode suggereert dat men in de koudere maanden, wellicht vanwege de vochtigheid of specifieke marktcondities in die periode, deze praktijk als ongewenst beschouwde. In de eerste helft van de 20e eeuw was het venten (huis-aan-huis verkoop) van verse vis, waaronder aal, een veelvoorkomend verschijnsel in Nederlandse steden en dorpen. Gemeentebesturen (B&W) reguleerden dit streng via de Ventvergunningen om de openbare orde en de hygiëne te waarborgen. Dergelijke besluiten werden vaak genomen op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De tekst getuigt van de toenemende bemoeienis van de overheid met de voedselveiligheid in de publieke ruimte.

Samenvatting

Deze tekst betreft een specifieke aanvullende voorwaarde (artikel 19⁰) voor straatverkopers (venters) die aal verhandelen. De kern van de maatregel is een verbod op het gebruik van zaagsel, zand of vergelijkbare stoffen bij het vervoeren of opslaan van de vis gedurende het winterhalfjaar (november t/m april).

Het doel van deze maatregel was waarschijnlijk gelegen in de volksgezondheid of hygiëne. Het bewaren van vis in zaagsel of zand was een oude methode om de vis (soms levend) te transporteren of koel te houden, maar dit bracht risico's op verontreiniging met zich mee. De specifieke tijdsperiode suggereert dat men in de koudere maanden, wellicht vanwege de vochtigheid of specifieke marktcondities in die periode, deze praktijk als ongewenst beschouwde.

Historische Context

In de eerste helft van de 20e eeuw was het venten (huis-aan-huis verkoop) van verse vis, waaronder aal, een veelvoorkomend verschijnsel in Nederlandse steden en dorpen. Gemeentebesturen (B&W) reguleerden dit streng via de Ventvergunningen om de openbare orde en de hygiëne te waarborgen. Dergelijke besluiten werden vaak genomen op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De tekst getuigt van de toenemende bemoeienis van de overheid met de voedselveiligheid in de publieke ruimte.

Gerelateerde Documenten 6