Ambtelijke brief/rapportage (vermoedelijk pagina 2 van een meerdelig schrijven).
Origineel
Ambtelijke brief/rapportage (vermoedelijk pagina 2 van een meerdelig schrijven). 4 december 1939. De Directeur van het Marktwezen. 2 4 December 9
85/4/6 den Heer Wethouder voor de
Amsterdam. Levensmiddelen,
directeur van het Marktwezen voor bijvoorbeeld twee weken
een verbod kan uitvaardigen, waarna een Besluit van Burge-
meester en Wethouders noodig wordt, ontraadt de Commissie;
vooral omdat zij de voorgestelde verbods-regeling ongewenscht
acht en een "positieve" regeling, krachtens welke vooraf-
gaande toestemming wordt vereischt, verkiest.
Ik kan mij met de door de Commissie aangevoerde
argumenten vereenigen. Ik meen, dat, vooral sedert in Octo-
ber jl. de bovenvermelde afspraak tusschen de organisaties
van belanghebbenden tot stand kwam, een regeling de voor-
keur verdient, waarbij voorafgaande toestemming voor het
plaatsen van "eigen" marktkramen wordt gevorderd. Een derge-
lijke regeling heb ik voorgesteld (op vervolgblad 2 onder-
aan) in mijn rapport d.d. 18 April 1939 (No.85/47/3 M.).
In overeenstemming met het eenstemmig advies der Commissie
van Advies voor de Markten heb ik de eer U beleefd in over-
weging te geven, de aanvulling van artikel 27 van het
Reglement op de Markten op de in mijn laatstgenoemd rapport
omschreven wijze te doen luiden.
Voor de goede orde voeg ik hieraan nog toe, dat
feitelijk de voorgestelde regeling in de practijk reeds
werkt en tot geen moeilijkheden aanleiding geeft. De subcom-
missie uit de Geschillencommissie heeft namelijk reeds
enkele aanvragen om eigen materiaal te mogen gebruiken, be-
handeld en toegestaan.
De Directeur, Dit document is een ambtelijk advies aan de Amsterdamse Wethouder voor de Levensmiddelen. De kern van het schrijven is een beleidswijziging aangaande het marktwezen. In plaats van een systeem waarbij de directeur achteraf een verbod oplegt op bepaalde handelingen (een 'negatieve' regeling), adviseert men een 'positieve' regeling. Dit houdt in dat marktkooplieden vooraf expliciete toestemming moeten vragen als zij hun eigen marktmateriaal (kramen) willen gebruiken in plaats van de door de gemeente verstrekte kramen.
De directeur onderbouwt zijn advies door te wijzen op:
1. Consensus: Zowel de Commissie van Advies voor de Markten als de relevante belangenorganisaties (marktkoopliedenbonden) zijn voorstander van deze aanpak.
2. Continuïteit: Het voorstel sluit aan bij een eerder rapport uit april 1939.
3. Praktijkervaring: De regeling wordt informeel al toegepast door de Geschillencommissie zonder dat dit tot problemen leidt.
Het document getuigt van de formele, hiërarchische communicatiestructuur binnen het Amsterdamse gemeentebestuur aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. De datum, december 1939, plaatst dit document in de periode van de mobilisatie in Nederland. Hoewel Nederland nog neutraal was, was de Tweede Wereldoorlog in de omringende landen al begonnen. De functie van "Wethouder voor de Levensmiddelen" was in deze tijd cruciaal vanwege de beginnende schaarste en de noodzaak om de voedselvoorziening en de distributie via markten strak te organiseren.
De discussie over "eigen kramen" versus gemeentekramen was een terugkerend thema in het marktbeheer. De gemeente streefde vaak naar uniformiteit en inkomsten uit kraamverhuur, terwijl kooplieden uit kostenoverwegingen of praktisch nut soms hun eigen materiaal wilden gebruiken. Dit document toont een moment van poldermodel-achtige besluitvorming, waarbij getracht wordt een werkbaar juridisch kader (artikel 27 van het Marktreglement) te scheppen dat door alle partijen gedragen wordt.