Extract uit het Boek der Besluiten van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam.
Origineel
Extract uit het Boek der Besluiten van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam. Vrijdag 2 februari 1940. Marktw.
No 1/6/1 M. 1940 10/2
No. 22/1ᵇ Arb. 1940.
177 Lm. 1940
Gezien
[Paraaf]
Tusschentijdsche wijziging in de Collectieve Arbeidsovereenkomsten voor de Bouwbedrijven (a voor den water-, spoor- en wegenbouw; b voor den burgerlijken en utiliteitsbouw).
E x t r a c t
uit het Boek der Besluiten van
Burgemeester en Wethouders van Amsterdam
Vrijdag 2 Februari 1940.
Op voorstel van den Wethouder voor de Arbeidszaken neemt de vergadering het volgende besluit:
Burgemeester en Wethouders van Amsterdam;
Gezien de brieven van : a. de werkliedenorganisaties in de Bouwbedrijven van 30 December 1939; b. den Bedrijfsraad voor de Bouwbedrijven van 13 Januari 1940; en c. van de Samenwerkende Patroonsvereenigingen in de Bouwbedrijven te Amsterdam van 18 Januari 1940, houdende mededeeling van per 1 Januari 1940 aangebrachte wijzigingen in de Collectieve Arbeidsovereenkomsten voor de Bouwbedrijven (a. water-, spoor- en wegenbouw; b. burgerlijke- en utiliteitsbouw), regelende een op dien datum in te voeren duurtetoeslag;
B e s l u i t e n :
a. te bepalen, dat gerekend te zijn ingegaan 1 Januari 1940, de bovenbedoelde wijzigingen, door wederzijdsche partijen aangebracht in de Collectieve Arbeidsovereenkomsten voor de Bouwbedrijven (a. water-, spoor- en wegenbouw; b. burgerlijke- en utiliteitsbouw), welke overeenkomsten bij hun besluiten van 10 Maart 1939, resp. No. 22/3ᵇ en 22/3ᶜ Arb. 1939 (Gemeenteblad 1939, afd. 3, Volgnrˢ 27 en 35), geldend zijn verklaard op gemeentelijke bestekswerken, deel zullen uitmaken van die Collectieve Arbeidsovereenkomsten;
b. ter kennis van de hoofden van diensttakken te brengen, dat de onder a bedoelde wijzigingen luiden als volgt:
1o. W i j z i g i n g e n
Landelijke Collectieve Arbeidsovereenkomst voor de Bouwbedrijven
(Water-, Spoor- en Wegenbouw)
1939 – 1940
Artikel 10.
3e alinea, tusschen de woorden "loon" en "over" worden ingevoegd de woorden "en de duurtetoeslag".
Artikel 17.
1e en 3e alinea, achter het woord "loon" inlasschen de woorden "en de duurtetoeslag".
Artikel 18.
1e alinea achter het woord "loon" inlasschen de woorden "of duurtetoeslag".
Artikel 18.
Achter lid 1 toevoegen de woorden: "met dien verstande evenwel, dat duurtetoeslagen als loon worden beschouwd".
Artikel 19.
Laatste zin, vóór het woord "loon" schrappen het woord "geen", en achter het woord "loon" inlasschen de woorden "noch duurtetoeslag". Het document is een officieel besluit van het Amsterdamse gemeentebestuur (B&W) om de CAO-wijzigingen voor de bouwsector formeel te erkennen en toe te passen op gemeentelijke projecten ("bestekswerken").
De kern van de wijziging is de introductie van een duurtetoeslag. Dit is een extra vergoeding bovenop het basisloon om de stijgende kosten van levensonderhoud te compenseren. In de tekst worden specifieke redactionele aanpassingen aan diverse artikelen (10, 17, 18, 19) van de landelijke CAO opgesomd. Opvallend is de juridische precisering in Artikel 18, waarbij wordt vastgesteld dat de duurtetoeslag voor de toepassing van de regels als loon moet worden beschouwd.
Dit besluit is ingegeven door correspondentie met drie partijen: de vakbonden (werkliedenorganisaties), de Bedrijfsraad en de werkgevers (patroonsverenigingen). Dit getuigt van het vroege poldermodel waarbij arbeidsvoorwaarden in overleg tussen sociale partners en de overheid werden vastgesteld. De datum van het document, 2 februari 1940, is historisch saillant. Nederland bevond zich op dat moment in de periode van de Mobilisatie (vlak voor de Duitse inval in mei 1940). Door de oorlogsdreiging in Europa en de economische ontregeling stegen de prijzen van goederen en levensmiddelen.
De "duurtetoeslag" waarover dit document spreekt, was een direct gevolg van deze inflatie. Werknemers in de bouwsector, cruciaal voor zowel de economie als de defensie (denk aan de aanleg van wegen en spoorwegen genoemd in het document), moesten gecompenseerd worden om hun koopkracht te behouden. Het feit dat de gemeente Amsterdam dit besluit neemt, laat zien hoe lokale overheden de landelijke sociale akkoorden doorvertaalden naar de praktijk van publieke werken.