Getypte ambtelijke toelichting bij een concept-verordening.
Origineel
Getypte ambtelijke toelichting bij een concept-verordening. Circa november 1940 (gebaseerd op de genoemde deadline van 22 november 1940 en de circulaire van eind oktober). TOELICHTING VERORDENING
De verschillende onderwerpen die het Afvallenbesluit 1940 I en het Afvallenbesluit 1940 II aan de gemeenteraden ter regeling opdragen, nl. de wijze waarop de afvallen van levensmiddelen moeten worden bewaard en de wijze waarop de afvallen van levensmiddelen, de cadavers van honden en katten en de dierlijke afvallen moeten worden ter beschikking gesteld, zijn in één verordening geregeld.
Aangezien de beide Afvallenbesluiten in art. 8 straf bedreigen tegen hem die niet of niet behoorlijk voldoet aan de verplichtingen hem opgelegd in art. 2, lid 1, van het besluit of krachtens art. 3, lid 1, dat is dus in de bij dat artikel voorgeschreven gemeentelijke verordening, behoeft deze verordening geen strafbepalingen te bevatten. Zij moet, naar onze meening, niet als een strafverordening beschouwd worden, zoodat de bepalingen van de artikelen 197 e.v. der Gemeentewet niet op haar van toepassing zijn. Krachtens art. 10 der beide Afvallenbesluiten kan de gemeente andere ambtenaren dan de in dat artikel genoemde aanwijzen voor de opsporing van de bij het besluit strafbaar gestelde feiten. Daartoe is art. 5 in de concept-verordening opgenomen, waarbij wij hebben opengelaten wie als zoodanig worden aangewezen. In sommige gemeenten zullen dit de ambtenaren van het marktbedrijf zijn.
De onderhavige verordening zal krachtens art. 4 van de beide Afvallenbesluiten vóór 22 November door den raad moeten worden vastgesteld. Voor het geval op dien datum geen verordening is vastgesteld geeft het genoemde artikel een aantal bepalingen, waarnaar wij hier mogen verwijzen.
Volgens art. 3, 2e lid, der beide besluiten moet de verordening steeds in overeenstemming zijn met de door den Secretaris-Generaal van het Departement van Landbouw en Visscherij gegeven aanwijzingen, terwijl volgens het 3e lid van dit artikel de verordening terstond na haar vaststelling in door den Secretaris te waarmerken afschrift aan den Secretaris-Generaal moet worden medegedeeld. Deze aanwijzingen zijn op dit oogenblik niet door den Secretaris-Generaal gegeven. Bij door ons met vertegenwoordigers van het Rijksbureau voor Voedselvoorziening in Oorlogstijd gepleegd overleg is ons gebleken dat voor wat betreft de bewaring en ter beschikking stelling voorloopig geen andere aanwijzingen zullen verschijnen dan de in de circulaire van 29/31 October j.l. van den Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken (Officieele Bekendmakingen no. 1302, rubriek XIII, 10) uitgesproken wensch dat onder de afvallen van levensmiddelen de beenderen aldus worden behandeld dat zij afzonderlijk kunnen worden afgeleverd. Wij meenen dat hieraan wordt voldaan wanneer de vergunninghouder de verplichting
(einde zichtbare tekst) Dit document dient als juridische en praktische onderbouwing voor een nieuwe gemeentelijke verordening over afvalverwerking. De kern van de tekst is de centralisatie en stroomlijning van de inzameling van organisch afval, kadavers en dierlijk restmateriaal.
Opvallende juridische punten:
* Strafbepalingen: Er wordt uitgelegd dat de gemeente zelf geen straffen hoeft op te nemen in de verordening, omdat de landelijke 'Afvallenbesluiten' hier al in voorzien. Dit voorkomt juridische doublures en conflicten met de Gemeentewet.
* Handhaving: De verordening biedt ruimte om specifieke lokale ambtenaren (zoals die van het marktbedrijf) aan te wijzen voor toezicht.
* Bureaucratische hiërarchie: Er wordt expliciet verwezen naar de rol van de Secretarissen-Generaal. In de bezettingstijd hadden zij de feitelijke leiding over de departementen overgenomen nadat de ministers naar Engeland waren uitgeweken. De tekst moet worden begrepen tegen de achtergrond van de schaarste-economie tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De "Afvallenbesluiten 1940 I en II" waren onderdeel van een pakket maatregelen om de voedselvoorziening en de grondstoffenvoorraad veilig te stellen.
Niets mocht verloren gaan:
* Voedselresten: Werden vaak gebruikt als veevoer (swill).
* Kadavers en dierlijk afval: Werden verwerkt tot vetten, lijm of beendermeel (meststof).
* Beenderen: De specifieke vermelding van het apart houden van beenderen (knoken) duidt op het grote belang hiervan voor de oorlogsindustrie en de zeep- en lijmproductie.
Het genoemde Rijksbureau voor Voedselvoorziening in Oorlogstijd (RBVO) speelde een centrale rol in de distributie en het beheer van alles wat eetbaar was of als grondstof kon dienen. De deadline van 22 november 1940 toont aan dat men haast maakte om de recyclingstructuur in alle gemeenten uniform te regelen. Rijksbureau