Getypte ambtelijke toelichting of memorie van toelichting bij een verordening of besluit.
Origineel
Getypte ambtelijke toelichting of memorie van toelichting bij een verordening of besluit. 5 november 1940. -3-
schriften omtrent afvalstoffen en vuilnis (het op een bepaald uur klaarzetten
in afgesloten bakken, enz.) toepasselijk te verklaren. In de tweede redac-
tie, die dient voor het geval dat de gemeentelijke dienst de afvallen ophaalt,
is dit laatste wel geschied.
Ad art.3. Volgens dit artikel hebben de ingezetenen de keuze om òf de cadavers
zelf op de aangegeven plaats te brengen of deze te doen halen door een ge-
meentelijken dienst òf daartoe door B.en W. aangewezen lichamen of personen
die hiertoe krachtens art.5, 1e lid, van de beide besluiten een vergunning
van B.en W. hebben ontvangen. Wij denken bij deze "lichamen of personen"
aan instellingen als een dierenasyl die zich reeds thans (echter zonder ver-
gunning) op verschillende groote plaatsen met het ophalen van cadavers be-
lasten. Wanneer een ingezetene er de voorkeur aan geeft de cadavers te doen
afhalen kan hiervoor een vergoeding gevraagd worden, die, wanneer het een
gemeentelijken dienst betreft, op een belastingverordening zal moeten be-
rusten.
Omtrent de wijze van ter beschikking stelling is niets anders voorge-
schreven dan dat deze zoo spoedig mogelijk moet plaats hebben. Het verdient
aanbeveling dat de gemeente de cadavers van honden en katten aflevert aan
beendermeelfabrikanten of destructiebedrijven, waarmede zij dan ten aanzien
van het weghalen van de cadavers een regeling zal moeten treffen. In verband
daarmede ligt het voor de hand dat B.en W. als de plaats waar de cadavers
moeten worden gebracht aanwijzen de plaats waar de destructiedienst of de
beendermeelfabriek ze komt ophalen.
Ad art.4. De dierlijke afvallen zullen de ingezetenen (slagerijen, poelierswin-
kels enz.) op de daarvoor aangegeven plaats moeten afleveren of doen afle-
veren. Blijkens de meergenoemde circulaire van 29/31 October is het de be-
doeling dat deze afvallen worden bestemd voor de verwerking tot beendermeel
en diermeel en dat de vergunning tot het inzamelen der afvallen wordt gege-
ven rechtstreeks aan de beendermeelfabrikanten en destructiebedrijven. Aan-
gezien deze zich uiteraard niet zullen kunnen belasten met het inzamelen van
de afvallen bij de slagerijen enz. zullen, wanneer geen gemeentelijke dienst
bestaat voor het inzamelen van deze afvallen, de slagerijen die afvallen ter
beschikking hebben deze zelf op de aangegeven plaats moeten afleveren.
Omtrent de wijze van ter beschikking stelling wordt in art.4, behalve
dat zij zoo spoedig mogelijk moet geschieden, nog voorgeschreven dat de af-
vallen afzonderlijk en zonder vermenging met andere stoffen ter beschikking
moeten worden gesteld. Voorts wordt in dit artikel verwezen naar de voor-
schriften bij of krachtens de Vleeschkeuringswet gegeven.
5-11-'40. Dit document bevat de artikelsgewijze toelichting op een regeling voor de volksgezondheid en openbare hygiëne, specifiek gericht op het beheer van dierlijk afval.
* Art. 3 behandelt de verwijdering van kadavers (zoals honden en katten). Het geeft burgers de optie om deze zelf weg te brengen of te laten ophalen door geautoriseerde instanties (zoals een dierenasiel of de gemeentereiniging). Er wordt gewezen op de noodzaak van een juridische basis (belastingverordening) voor het heffen van kosten.
* Art. 4 richt zich op bedrijfsmatig dierlijk afval van slagers en poeliers. Dit afval is bestemd voor de productie van beendermeel en diermeel door gespecialiseerde destructiebedrijven.
* Spelling: Het document hanteert de spelling-Marchant (bijv. "cadavers", "groote", "Vleeschkeuringswet"). De datum van het document, 5 november 1940, plaatst deze tekst in de vroege periode van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In deze periode bleef het Nederlandse ambtelijke apparaat grotendeels functioneren onder toezicht van de bezetter.
De nadruk op de efficiënte inzameling van dierlijke resten voor de productie van beendermeel past binnen het streven naar een sluitende grondstoffeneconomie. Beendermeel was essentieel als meststof en diermeel als veevoer, zaken die door de oorlogsomstandigheden en stokkende import steeds schaarser werden. De genoemde "circulaire van 29/31 October" (1940) wijst op een centrale richtlijn vanuit het landsbestuur waaraan de lagere overheden (gemeenten) uitvoering moesten geven.