Archief 745
Inventaris 745-305
Pagina 382
Dossier 4
Jaar 1940
Stadsarchief

Archiefdocument

Amsterdam, 22 October 1937. Van: Waarschijnlijk het College van Burgemeester en Wethouders (gezien de formulering "in onze handen gesteld").

Origineel

Amsterdam, 22 October 1937. Waarschijnlijk het College van Burgemeester en Wethouders (gezien de formulering "in onze handen gesteld"). 1799 Gemeenteblad afd. 1

No. 663. Ordening schillenophalersbedrijf.

AMSTERDAM, 22 October 1937.

Aan den Gemeenteraad

In Uw vergadering van 19 November 1935 werd in onze handen gesteld om praeadvies een adres van de Schillenophalersvereeniging Door Eendracht Sterk, houdende verzoek, een vergunningsstelsel in te voeren voor het schillenophalersbedrijf.

Naar aanleiding hiervan merken wij op, dat een vergunningsstelsel, als de adresseerende vereeniging beoogt, zou moeten zijn vastgelegd in een verordening, welke steunt op art. 168 der Gemeentewet. De verordening — en dus het vergunningsstelsel — zou moeten zijn vereischt in het belang der openbare orde, zedelijkheid en gezondheid of moeten betreffen de huishouding der Gemeente.

Wij zijn van oordeel, dat de schillenophalers door de wijze, waarop zij tot nu toe hun bedrijf hebben uitgeoefend, nimmer gevaar hebben opgeleverd voor de openbare orde, de zedelijkheid of de gezondheid, zoodat daaraan geen motief kan worden ontleend tot invoering van het bedoelde vergunningsstelsel. Adressanten beroepen zich hierop dan ook niet.

Het huishoudelijk belang der Gemeente zou bij een verordening, als gevraagd wordt, betrokken kunnen zijn, indien de bestaansvoorwaarden van een bepaalde belangrijke groep van burgers voortdurend zouden worden ondermijnd of een beter bestaan aan haar zou kunnen worden verschaft, zonder het algemeen belang te schaden.

Dit zou ook nog het geval kunnen zijn, indien door voornoemde omstandigheden het bedrijf in een toestand zou kunnen komen te verkeeren, waarbij het gemeentebelang zou worden geschaad.

Ook dit wordt door adressanten niet betoogd. Hun verzoek houdt feitelijk niets anders in, dan het afsluiten van het bedrijf om daardoor voor de in het bedrijf werkzame personen een beter bestaan verzekerd te krijgen.

Echter moet in dit verband hier worden opgemerkt, dat verreweg het grootste deel van de 600 à 700 personen, die zich in Amsterdam bezighouden met het ophalen van schillen, woonachtig is in andere gemeenten. Blijkens door de adresseerende vereeniging verstrekte gegevens, moet slechts 18 % van het genoemde aantal personen gerekend worden, ingezetene van Amsterdam te zijn. Een vergunningsstelsel voor schillenophalers zou derhalve voornamelijk de belangen van niet-Amsterdammers behartigen, zonder dat bijzondere Amsterdamsche belangen zulks vereischen.

Wij zijn daarom van meening, dat bij het vraagstuk der ordening van het schillenophalersbedrijf ook de huishouding der Gemeente niet in den eigenlijken zin van het woord is betrokken en adviseeren Uw College, derhalve, in overeenstemming met het gevoelen van de Commissie van

Nos. 663—665. Ordening schillenophalersbedrijf; begrooting Keuringsdienst van Waren 1938; geheim. In dit document adviseert het dagelijks bestuur van de stad Amsterdam de Gemeenteraad over een verzoek van de vereniging "Door Eendracht Sterk". Deze vereniging van schillenophalers wilde dat de gemeente een vergunningsstelsel zou invoeren voor hun beroepsgroep.

De kern van het ambtelijke standpunt is een afwijzing van dit verzoek op juridische en beleidsmatige gronden:

  1. Gebrek aan noodzaak voor openbare orde: Een verordening (en dus een vergunningplicht) mag volgens de Gemeentewet alleen worden ingevoerd als de openbare orde, zedelijkheid of gezondheid in het geding is. Het bestuur stelt vast dat schillenophalers nooit een gevaar hebben gevormd op deze gebieden.
  2. Economisch protectionisme: Het bestuur doorziet dat de vereniging het vergunningsstelsel enkel wil gebruiken om de markt af te schermen ("het afsluiten van het bedrijf") en zo de concurrentie te beperken voor de huidige actieve ophalers.
  3. Woonplaatsargument: Het sterkste argument tegen het verzoek is van demografische aard. Van de naar schatting 600 tot 700 ophalers woont slechts 18% in Amsterdam zelf. Het invoeren van een vergunningsstelsel zou dus vooral de belangen van forenzen (niet-Amsterdammers) beschermen, wat niet als een taak van de Amsterdamse gemeenteraad wordt gezien.

De rode onderstrepingen in het document suggereren dat een latere lezer of onderzoeker specifiek geïnteresseerd was in de sociaaleconomische data (het aantal werkers en hun herkomst). Het beroep: Schillenophalers verzamelden organisch afval (voornamelijk aardappelschillen en broodresten) bij de Amsterdamse huishoudens. Dit afval werd vervolgens doorverkocht aan boeren in de omgeving van de stad als veevoer (varkensvoer). Het was een zwaar, marginaal beroep dat vaak met handkarren werd uitgeoefend.

Tijdsgeest: In 1937 bevond Nederland zich nog in de nasleep van de Grote Depressie. De werkloosheid was hoog, waardoor velen hun toevlucht zochten tot informele handel en kleine nering zoals het ophalen van schillen. De enorme toename van het aantal ophalers (600 tot 700) leidde tot felle concurrentie en marginale inkomsten, vandaar de roep om "ordening" en een vergunningsstelsel vanuit de georganiseerde ophalers om hun eigen positie te beschermen.

Juridisch kader: Het document verwijst naar artikel 168 van de oude Gemeentewet, dat de basis vormde voor de verordenende bevoegdheid van gemeenten. Het weerspiegelt de liberale opvatting van die tijd dat de overheid zich niet zomaar mocht bemoeien met de vrije handel, tenzij er een dwingende reden van openbaar belang was.

Samenvatting

In dit document adviseert het dagelijks bestuur van de stad Amsterdam de Gemeenteraad over een verzoek van de vereniging "Door Eendracht Sterk". Deze vereniging van schillenophalers wilde dat de gemeente een vergunningsstelsel zou invoeren voor hun beroepsgroep.

De kern van het ambtelijke standpunt is een afwijzing van dit verzoek op juridische en beleidsmatige gronden:

  1. Gebrek aan noodzaak voor openbare orde: Een verordening (en dus een vergunningplicht) mag volgens de Gemeentewet alleen worden ingevoerd als de openbare orde, zedelijkheid of gezondheid in het geding is. Het bestuur stelt vast dat schillenophalers nooit een gevaar hebben gevormd op deze gebieden.
  2. Economisch protectionisme: Het bestuur doorziet dat de vereniging het vergunningsstelsel enkel wil gebruiken om de markt af te schermen ("het afsluiten van het bedrijf") en zo de concurrentie te beperken voor de huidige actieve ophalers.
  3. Woonplaatsargument: Het sterkste argument tegen het verzoek is van demografische aard. Van de naar schatting 600 tot 700 ophalers woont slechts 18% in Amsterdam zelf. Het invoeren van een vergunningsstelsel zou dus vooral de belangen van forenzen (niet-Amsterdammers) beschermen, wat niet als een taak van de Amsterdamse gemeenteraad wordt gezien.

De rode onderstrepingen in het document suggereren dat een latere lezer of onderzoeker specifiek geïnteresseerd was in de sociaaleconomische data (het aantal werkers en hun herkomst).

Historische Context

Het beroep: Schillenophalers verzamelden organisch afval (voornamelijk aardappelschillen en broodresten) bij de Amsterdamse huishoudens. Dit afval werd vervolgens doorverkocht aan boeren in de omgeving van de stad als veevoer (varkensvoer). Het was een zwaar, marginaal beroep dat vaak met handkarren werd uitgeoefend.

Tijdsgeest: In 1937 bevond Nederland zich nog in de nasleep van de Grote Depressie. De werkloosheid was hoog, waardoor velen hun toevlucht zochten tot informele handel en kleine nering zoals het ophalen van schillen. De enorme toename van het aantal ophalers (600 tot 700) leidde tot felle concurrentie en marginale inkomsten, vandaar de roep om "ordening" en een vergunningsstelsel vanuit de georganiseerde ophalers om hun eigen positie te beschermen.

Juridisch kader: Het document verwijst naar artikel 168 van de oude Gemeentewet, dat de basis vormde voor de verordenende bevoegdheid van gemeenten. Het weerspiegelt de liberale opvatting van die tijd dat de overheid zich niet zomaar mocht bemoeien met de vrije handel, tenzij er een dwingende reden van openbaar belang was.

Kooplieden in dit dossier 31

Aandeel Bedrijfskap.aardapp.-gross.
Afschrijving auto's
Algemene onkosten
Bananen rijpinrichting
Drukwerk & kantoorkosten
Dubieuze Debiteuren
G.G.D. In Waterlooplein
G.G.D. In Waterlooplein " 3.001,40
G.G.D. In Waterlooplein " 820,--
Gebouwen, op of tegen Waterlooplein " 1.250,--
Gebouwen, op of tegen Waterlooplein
Gebouwen, op of tegen Waterlooplein
Gebouwen, op of tegen Waterlooplein
Gebouwen, op of tegen Waterlooplein
T. Girorekening Nieuwmarkt " 6.655.58
H. van Waterlooplein Bl. Distelweg 6 huis
Intrest en kosten Middenst.bank
Licht- en trammasten en lantaarnpalen Waterlooplein
Loon en Sociale Lasten
Salaris H.G.Ruhe f 144.587.14
Stat.Reserve Centr.Werkg.Ris.Bk.
Terreinen, op Waterlooplein " 202,17
Terreinen, op Waterlooplein " 1.045,--
Te verminderen met de pensioenbijdragen, door het personeel te betalen . . . . . . . . . . . . . . Waterlooplein
Te verminderen met de pensioenbijdragen, door het personeel te betalen . . . . . . . . . . . . . . . Waterlooplein
Vinkeveen aankoop
Alle 31 kooplieden →