Archief 745
Inventaris 745-305
Pagina 400
Dossier 17
Jaar 1940
Stadsarchief

Getypt kort verslag van een ambtelijke bespreking.

16 januari 1936.

Origineel

Getypt kort verslag van een ambtelijke bespreking. 16 januari 1936. No 1/10/1 M.1936 22/7
Kort verslag
van de bespreking op Donderdag 16 Januari 1936 te Den Haag met Mr. de Mol van Otterloo en den heer Schmall inzake de Vestigingswet.

Mr. de Mol van Otterloo, Chef van de Juridische afdeeling van het Departement van Handel, verzocht den heer Schmall, Chef van de Economische afdeeling, bij het onderhoud tegenwoordig te zijn. Mr. de Mol ontwerpt in juridischen vorm de gegevens die de heer Schmall hem verstrekt.

De Heeren zeiden, dat na aanneming van het wetsontwerp, er niets gebeurt, voordat volgens art.4 rechtspersoonlijkheid bezittende vereenigingen den Minister verzoeken ten opzichte van een bepaalden tak van detailhandel, ambacht of kleine nijverheid vestigingseischen bij specialen algemeenen maatregel van bestuur (òf voor het geheele land òf voor speciale Gemeenten) vast te stellen. De wet werkt dus eerst op verzoek.

Ik wees er op dat Burgemeester en Wethouders na de verwerping door den Raad van de Winkel- en Bakkersverordening moreel verplicht waren een gewijzigd ontwerp in te dienen. Voorts, dat herhaalde verzoeken waren ingekomen van organisaties van belanghebbenden, soms van werkgevers- èn werknemerszijde gezamenlijk om steun van de Overheid. Daar het ontwerp vestigingswet onzekerheid schept in verband met art.194 van de Gemeentewet ("De bepalingen van plaatselijke verordeningen in wier onderwerp door een wet ..... wordt voorzien, houden van rechtswege op te gelden") was een informatorisch onderhoud nodig.

In het verloop van het gesprek kwam, als persoonlijke meening van beide heeren, het volgende vast te staan. Schoenmakers en kappers zijn ambachtslieden, vallen dus onder die wet; omtrent glazenwasschers en transportondernemers waren de heeren in twijfel. Zij voelden er voor de wet op dit punt ("ambachten") te verduidelijken, hadden blijkbaar aan deze categorieën niet gedacht. Wat de schillenophalers betreft, waren zij het eens met mijn opvatting, dat deze personen die in de gemeente alleen gratis afval ophalen, eerst daarna als zij die afval verkoopen, handelaren worden; hier is dus de gemeentewetgever geheel vrij.

Daarna bracht ik ter sprake het feit, dat het ontwerp de wetsuitvoering aan de Kamer van Koophandel opdraagt, een lichaam, dat speciale belangen behartigt, anders dan het Gemeentebestuur dat voor het algemeen belang moet waken. Nu zijn er onder de

[In de linkermarge met potlood geschreven:]
Dit kan dus verder infor. maken samen Het document is een verslag van een overleg over de totstandkoming van de Vestigingswet Kleinbedrijf 1937. De kern van de discussie is de verhouding tussen centrale wetgeving en lokale autonomie.

De belangrijkste punten uit de analyse:
1. Vraaggestuurde wetgeving: Er wordt benadrukt dat de wet niet direct van bovenaf alles reguleert, maar dat beroepsorganisaties zelf moeten verzoeken om vestigingseisen (art. 4).
2. Juridische frictie: Er is bezorgdheid over Artikel 194 van de Gemeentewet. Zodra een nationale wet een onderwerp regelt, vervallen lokale verordeningen. De gemeente vreest haar grip op lokale misstanden (zoals bij bakkerijen of winkeltijden) te verliezen.
3. Definitiekwesties: Er is onduidelijkheid over wie als 'ambachtsman' telt. Schoenmakers en kappers wel, maar over glazenwassers en transporteurs is men onzeker. Dit toont aan dat de wetgever de complexiteit van de dienstensector destijds nog niet volledig had voorzien.
4. Belangenverstrengeling: De ik-persoon uit kritiek op het feit dat de Kamers van Koophandel (behartigers van eigenbelang van ondernemers) de wet moeten uitvoeren, in plaats van de gemeente (behartiger van het algemeen belang). Dit overleg vindt plaats in 1936, midden in de nasleep van de Grote Depressie. In deze periode was er een enorme toename van kleine zelfstandigen (vaak uit nood geboren werklozen), wat leidde tot scherpe concurrentie en prijsvechten. De overheid probeerde met de Vestigingswet paal en perk te stellen aan "ongezonde" concurrentie door eisen te stellen aan vakbekwaamheid, kredietwaardigheid en handelskennis.

Het document illustreert de spanning tussen de opkomende corporatistische ordening (waarbij de staat en bedrijfsleven samen de economie ordenen) en de traditionele rol van de gemeente als handhaver van de lokale orde. De discussie over 'schillenophalers' (mensen die etensresten ophaalden voor veevoer) toont de kleinschalige, armoedige realiteit van de economie in de jaren '30 waar de wetgever mee te maken had.

Samenvatting

Het document is een verslag van een overleg over de totstandkoming van de Vestigingswet Kleinbedrijf 1937. De kern van de discussie is de verhouding tussen centrale wetgeving en lokale autonomie.

De belangrijkste punten uit de analyse:
1. Vraaggestuurde wetgeving: Er wordt benadrukt dat de wet niet direct van bovenaf alles reguleert, maar dat beroepsorganisaties zelf moeten verzoeken om vestigingseisen (art. 4).
2. Juridische frictie: Er is bezorgdheid over Artikel 194 van de Gemeentewet. Zodra een nationale wet een onderwerp regelt, vervallen lokale verordeningen. De gemeente vreest haar grip op lokale misstanden (zoals bij bakkerijen of winkeltijden) te verliezen.
3. Definitiekwesties: Er is onduidelijkheid over wie als 'ambachtsman' telt. Schoenmakers en kappers wel, maar over glazenwassers en transporteurs is men onzeker. Dit toont aan dat de wetgever de complexiteit van de dienstensector destijds nog niet volledig had voorzien.
4. Belangenverstrengeling: De ik-persoon uit kritiek op het feit dat de Kamers van Koophandel (behartigers van eigenbelang van ondernemers) de wet moeten uitvoeren, in plaats van de gemeente (behartiger van het algemeen belang).

Historische Context

Dit overleg vindt plaats in 1936, midden in de nasleep van de Grote Depressie. In deze periode was er een enorme toename van kleine zelfstandigen (vaak uit nood geboren werklozen), wat leidde tot scherpe concurrentie en prijsvechten. De overheid probeerde met de Vestigingswet paal en perk te stellen aan "ongezonde" concurrentie door eisen te stellen aan vakbekwaamheid, kredietwaardigheid en handelskennis.

Het document illustreert de spanning tussen de opkomende corporatistische ordening (waarbij de staat en bedrijfsleven samen de economie ordenen) en de traditionele rol van de gemeente als handhaver van de lokale orde. De discussie over 'schillenophalers' (mensen die etensresten ophaalden voor veevoer) toont de kleinschalige, armoedige realiteit van de economie in de jaren '30 waar de wetgever mee te maken had.

Locaties

Den Haag.

Kooplieden in dit dossier 31

Aandeel Bedrijfskap.aardapp.-gross.
Afschrijving auto's
Algemene onkosten
Bananen rijpinrichting
Drukwerk & kantoorkosten
Dubieuze Debiteuren
G.G.D. In Waterlooplein
G.G.D. In Waterlooplein " 3.001,40
G.G.D. In Waterlooplein " 820,--
Gebouwen, op of tegen Waterlooplein " 1.250,--
Gebouwen, op of tegen Waterlooplein
Gebouwen, op of tegen Waterlooplein
Gebouwen, op of tegen Waterlooplein
Gebouwen, op of tegen Waterlooplein
T. Girorekening Nieuwmarkt " 6.655.58
H. van Waterlooplein Bl. Distelweg 6 huis
Intrest en kosten Middenst.bank
Licht- en trammasten en lantaarnpalen Waterlooplein
Loon en Sociale Lasten
Salaris H.G.Ruhe f 144.587.14
Stat.Reserve Centr.Werkg.Ris.Bk.
Terreinen, op Waterlooplein " 202,17
Terreinen, op Waterlooplein " 1.045,--
Te verminderen met de pensioenbijdragen, door het personeel te betalen . . . . . . . . . . . . . . Waterlooplein
Te verminderen met de pensioenbijdragen, door het personeel te betalen . . . . . . . . . . . . . . . Waterlooplein
Vinkeveen aankoop
Alle 31 kooplieden →