Archief 745
Inventaris 745-305
Pagina 429
Dossier 39
Jaar 1940
Stadsarchief

Ambtelijk advies / Interne notitie.

Origineel

Ambtelijk advies / Interne notitie. Ventgeld.

Teneinde "ventgeld" te kunnen heffen en dit in de Verordening op de heffing van marktgelden op te nemen zal het heffen van "ventgeld" als het heffen van een plaatselyke belasting moeten worden beschouwd. Cf. art.275 Gem.wet (art.238 oud).

De moeilykheid is nu op welke wyze het heffen van ventgeld gebracht kan worden onder een der gronden voor heffing in bedoeld artikel genoemd. Als "marktgeld" is "ventgeld" niet te construeeren. Het is niet een heffing van geld "voor banken of standplaatsen in hallen, op markten of dergelyke openbare plaatsen". De venter neemt geen vaste plaats in, maar is ambulant.

Ik heb bovenbedoelde kwestie besproken met Mr. Tjebbes van Belastingen.

Deze was van oordeel, dat drie punten in art.275 genoemd in aanmerking konden komen om als grondslag voor de heffing van ventgeld te dienen, n.l.

  1. Gelden voor door of vanwege het Gemeentebestuur verstrekte diensten;
  2. gelden wegens het hebben van voorwerpen onder op of boven voor den openbaren dienst bestemden gemeentegrond;
  3. gelden voor het gebruik of genot van voor den openbaren dienst bestemde gemeentewerken.

Punt 1. vervalt, daar het Gemeentebestuur geen diensten aan de venters verstrekt. Het Gemeentebestuur geeft de venters wel een vergunning, doch daarvoor worden leges betaald.
Punt 2. vervalt ook, daar dit op precarioheffing slaat.
Rest punt 3. Volgens Mr. Tjebbes staat volstrekt vast, dat de openbare straat een openbaar gemeentewerk is. De venter maakt nu gebruik van dat openbaar gemeentewerk, overeenkomstig de bestemming ervan, en wel door het te gebruiken om zyn koopwaar aan den man te brengen. De vraag is nu: maar maakt niet iedereen gebruik van dat openbaar gemeentewerk en zou dus iedereen belasting daarvan moeten betalen? Volgens Mr. Tjebbes maakt de venters een ander gebruik van de straat dan andere menschen; hy gebruikt het namelyk als verkoopterrein. Ik heb er toen op gewezen, dat bepaalde categorieën, die niet als venters beschouwd worden, zooals b.v. groentelui met vaste klanten, de melkboer en de bakker ook een gebruik van de straat Dit document beschrijft een juridische zoektocht naar de juiste grondslag voor een gemeentelijke verordening. De kern van het probleem is dat venters (ambulante handelaren) niet op een vaste markt staan, waardoor de standaard "marktgelden" niet direct van toepassing zijn.

De auteur onderzoekt samen met een expert (Mr. Tjebbes) drie mogelijke gronden uit de Gemeentewet (Art. 275):
1. Diensten: Afgewezen, omdat de vergunningverlening al via leges wordt bekostigd.
2. Voorwerpen op gemeentegrond: Afgewezen, omdat dit onder precariobelasting valt (meestal voor vaste objecten zoals terrassen of uithangborden).
3. Gebruik van gemeentewerken: Dit wordt als de juiste grondslag gezien.

De juridische nuance die wordt aangebracht is dat een venter de straat (het "gemeentewerk") anders gebruikt dan een gewone burger. Waar een burger de straat gebruikt voor passage, gebruikt de venter deze als "verkoopterrein". Aan het slot van het document wordt echter direct een nieuw praktisch probleem aangesneden: hoe onderscheidt men een belastbare "venter" van reguliere bezorgdiensten zoals de melkboer of bakker, die immers ook de straat gebruiken om hun waren bij klanten te krijgen? In de eerste helft van de 20e eeuw professionaliseerden Nederlandse gemeenten hun belastingstelsels. Voorheen waren lokale heffingen vaak gebaseerd op gewoonterecht, maar door wijzigingen in de Gemeentewet moesten verordeningen een solide wettelijke basis hebben om stand te houden bij de rechter.

"Ventgeld" was een belangrijke bron van inkomsten en een middel om de concurrentie tussen ambulante handel en gevestigde winkeliers te reguleren. Het document toont de zorgvuldigheid waarmee ambtenaren zochten naar een sluitende juridische redenering om te voorkomen dat hun verordeningen nietig zouden worden verklaard. De discussie over het verschil tussen 'gebruik' (door iedereen) en 'bijzonder gebruik' (door handelaren) is een klassiek thema in het bestuursrecht.

Samenvatting

Dit document beschrijft een juridische zoektocht naar de juiste grondslag voor een gemeentelijke verordening. De kern van het probleem is dat venters (ambulante handelaren) niet op een vaste markt staan, waardoor de standaard "marktgelden" niet direct van toepassing zijn.

De auteur onderzoekt samen met een expert (Mr. Tjebbes) drie mogelijke gronden uit de Gemeentewet (Art. 275):
1. Diensten: Afgewezen, omdat de vergunningverlening al via leges wordt bekostigd.
2. Voorwerpen op gemeentegrond: Afgewezen, omdat dit onder precariobelasting valt (meestal voor vaste objecten zoals terrassen of uithangborden).
3. Gebruik van gemeentewerken: Dit wordt als de juiste grondslag gezien.

De juridische nuance die wordt aangebracht is dat een venter de straat (het "gemeentewerk") anders gebruikt dan een gewone burger. Waar een burger de straat gebruikt voor passage, gebruikt de venter deze als "verkoopterrein". Aan het slot van het document wordt echter direct een nieuw praktisch probleem aangesneden: hoe onderscheidt men een belastbare "venter" van reguliere bezorgdiensten zoals de melkboer of bakker, die immers ook de straat gebruiken om hun waren bij klanten te krijgen?

Historische Context

In de eerste helft van de 20e eeuw professionaliseerden Nederlandse gemeenten hun belastingstelsels. Voorheen waren lokale heffingen vaak gebaseerd op gewoonterecht, maar door wijzigingen in de Gemeentewet moesten verordeningen een solide wettelijke basis hebben om stand te houden bij de rechter.

"Ventgeld" was een belangrijke bron van inkomsten en een middel om de concurrentie tussen ambulante handel en gevestigde winkeliers te reguleren. Het document toont de zorgvuldigheid waarmee ambtenaren zochten naar een sluitende juridische redenering om te voorkomen dat hun verordeningen nietig zouden worden verklaard. De discussie over het verschil tussen 'gebruik' (door iedereen) en 'bijzonder gebruik' (door handelaren) is een klassiek thema in het bestuursrecht.

Kooplieden in dit dossier 31

Aandeel Bedrijfskap.aardapp.-gross.
Afschrijving auto's
Algemene onkosten
Bananen rijpinrichting
Drukwerk & kantoorkosten
Dubieuze Debiteuren
G.G.D. In Waterlooplein
G.G.D. In Waterlooplein " 3.001,40
G.G.D. In Waterlooplein " 820,--
Gebouwen, op of tegen Waterlooplein " 1.250,--
Gebouwen, op of tegen Waterlooplein
Gebouwen, op of tegen Waterlooplein
Gebouwen, op of tegen Waterlooplein
Gebouwen, op of tegen Waterlooplein
T. Girorekening Nieuwmarkt " 6.655.58
H. van Waterlooplein Bl. Distelweg 6 huis
Intrest en kosten Middenst.bank
Licht- en trammasten en lantaarnpalen Waterlooplein
Loon en Sociale Lasten
Salaris H.G.Ruhe f 144.587.14
Stat.Reserve Centr.Werkg.Ris.Bk.
Terreinen, op Waterlooplein " 202,17
Terreinen, op Waterlooplein " 1.045,--
Te verminderen met de pensioenbijdragen, door het personeel te betalen . . . . . . . . . . . . . . Waterlooplein
Te verminderen met de pensioenbijdragen, door het personeel te betalen . . . . . . . . . . . . . . . Waterlooplein
Vinkeveen aankoop
Alle 31 kooplieden →