Getypte ambtelijke nota of juridisch advies (pagina 2).
Origineel
Getypte ambtelijke nota of juridisch advies (pagina 2). 28 september 1933. - 2 -
maken anders dan een gewoon voetganger. Mr. Tjebbes is van oordeel, en die meening kan ik deelen, dat bedoelde categorieën de straat niet als eigenlyke verkoopplaats gebruiken. Zy hebben die noodig om hun goederen af te leveren. Dat de venters een byzonder gebruik van de straat maken bewyzen juist de klachten van politiezide over de venters, welke een der redenen waren, het ventersvraagstuk aan te pakken. De venters veroorzaken door het publiek dat zich om hun kar verzamelt, herhaaldelyk verkeersopstoppingen, te meer waar zy zich by voorkeur in drukke straten of op drukke kruispunten bewegen. Het gebruik van de straat door de andere categorieën hierboven bedoeld, geeft geen aanleiding tot byzondere maatregelen.
De conclusie van Mr. Tjebbes is: dat het heffen van ventgeld dus te construeeren is als het heffen van geld voor het gebruik van een openbaar gemeentewerk (in casu de straat).
In de marktgeldverordening kan niet gezegd worden, dat "voor het recht te venten een belasting geheven wordt onder den naam van ventgeld", daar dit een recognitie zou zyn voor de uitoefening van een bedryf, wat art. 287 laatste alinea (art. 254 oud) verbiedt.
Met myn voorstel in de Verordening te spreken van het heffen van een belasting onder den naam van ventgeld "voor het gebruik van den openbaren weg door den houder van een ventvergunning" kan Mr. Tjebbes zich geheel vereenigen.
Mr. Tjebbes wyst nog op een arrest van den Hoogen Raad van 13 Mei 1920, waarin verworpen wordt het beroep tegen het heffen van belasting voor het houden van verkoopingen aan den openbaren weg. Aangevoerd was, dat de houder der verkoopingen den openbaren weg niet gebruikt, maar de zich op straat bevindende koopers en bieders wel. De Hooge Raad is echter van meening, dat de houder der verkooping het publiek in de gelegenheid stelt die by te wonen en daarvoor den openbaren weg benut.
Een arr. Rb. Middelburg van 5 Januari 1886 W 5321 - ook door Mr. Tjebbes genoemd, acht een belasting van leurders buitengesloten, als zynde een vermomde recognitie.
Zie voor beide arresten de bylage.
w.g.
Amsterdam, 28 September 1933.
B. J. Redeker-van Greven.
-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.- Dit document betreft een ambtelijke discussie over de formulering van de "marktgeldverordening" in Amsterdam. Centraal staat de vraag hoe het heffen van 'ventgeld' juridisch geduid moet worden.
- Onderscheid in straatgebruik: Er wordt een onderscheid gemaakt tussen gewone weggebruikers (zoals bezorgers) en venters. Venters gebruiken de straat als "verkoopplaats", wat leidt tot verkeersproblemen en opstoppingen door samenscholend publiek.
- Juridische constructie: Het heffen van ventgeld mag volgens de toenmalige wetgeving (Gemeentewet) niet gezien worden als een belasting op het recht om een beroep uit te oefenen (een verboden "recognitie"). In plaats daarvan moet het gedefinieerd worden als een vergoeding voor het gebruik van een openbaar gemeentewerk (de straat).
- Jurisprudentie: Ter ondersteuning worden twee juridische uitspraken aangehaald:
- Een arrest van de Hoge Raad (1920) dat bevestigt dat een organisator van straatverkoop de openbare weg benut door publiek de gelegenheid te geven daar samen te komen.
- Een ouder arrest van de Rechtbank Middelburg (1886) dat waarschuwt tegen "vermomde recognities". In de jaren dertig was straathandel een zeer verbreid fenomeen in Amsterdam, mede door de economische crisis. De gemeente probeerde de overlast en de verkeersveiligheid te reguleren. Juridisch was dit complex omdat de Gemeentewet (art. 287, later 254) gemeenten beperkte in het heffen van belastingen op beroepsuitoefening. Door het ventgeld te koppelen aan het fysieke gebruik van de openbare weg (verkeersbelemmering), creëerde de gemeente een houdbare wettelijke basis voor de verordening. De ondertekenaar, B. J. Redeker-van Greven, was waarschijnlijk een hoge ambtenaar of jurist werkzaam bij de gemeente Amsterdam.