Getypte juridische samenvatting / uittreksel van vonnissen.
Origineel
Getypte juridische samenvatting / uittreksel van vonnissen. Bylage.
Arr. Rechtb. Middelburg 5-1-1886. W.5321.
art. 1 van het Raadsbesluit:
"Er zal geheven worden, onder den naam van marktgeld, een recht voor het gebruik van den grond der gemeente op de onderscheidene markten, pleinen, kaaien of andere openbare plaatsen, tot het opslaan van tenten, kramen of andere gebouwen en getimmerten, het te koop of ten toon stellen van goederen, waren of koopmanschappen, waaronder ook behoort het daartoe stilstaan met eenig voertuig en het zitten met manden of andere inhoudsmiddelen",
De bedoeling van den gemeentewetgever is geweest marktgeld te heffen van ieder, die van den grond der gemeente in den uitgebreidsten zin gebruik maakt, o.a. tot het te koop of ten toon stellen van goederen, waren of koopmanschappen of daartoe met eenig voertuig, waar dan ook, stilstaat of met manden, waar dan ook, zit;
dat de gemeentewetgever door deze bepalingen is getreden buiten de grenzen, hem door art.238 en 240 der gemeentewet gesteld;
dat toch daarby hem is vergund belasting te heffen voor het genot en gebruik van gemeentegrond gedurende een vooraf bepaalden tyd en voor een bepaald aangewezen en met uitsluiting van anderen in te nemen plaatsruimte op markten en dergelyke openbare plaatsen, maar dat daarby alle denkbeeld om belasting te heffen van hen, die van de openbare straat gebruik maken om, al leurende en beurtelings voortgaande, hunne goederen uit te venten, is buitengesloten, welke belasting, op die wyze geheven, niets anders zou zyn dan een vermomde recognitie, wegens de uitoefening van bedryven, welke in art.254 der gemeentewet bepaaldelyk is verboden;
Dit vonnis is bevestigd door het gerechtshof van 's-Gravenhage by arrest van 31-5-1886.
Arrest H.R. 3-5-1920. Adm.en Recht.Beslissingen 1920 pag.85
"dat requirant ter toelichting hiervan heeft aangevoerd, dat de gemeentewet en wel meer in het byzonder art.238 dier wet, niet veroorlooft een belasting als omschreven in art.3 sub 11 van ge- Dit document betreft een juridische uiteenzetting over de grenzen van de gemeentelijke belastingbevoegdheid aan het eind van de 19e en het begin van de 20e eeuw. De kern van de zaak is of een gemeente 'marktgeld' mag heffen van ambulante handelaren (leurders) die zich over de openbare weg verplaatsen.
De rechtbank oordeelde in 1886 dat een gemeente weliswaar geld mag vragen voor het exclusieve gebruik van een specifieke plek op een markt (stationaire handel), maar niet voor het loutere gebruik van de straat door rondtrekkende verkopers. Als een gemeente dit toch doet, wordt dit beschouwd als een "vermomde recognitie": een verboden belasting op het uitoefenen van een beroep of bedrijf, wat in strijd was met de toenmalige Gemeentewet (met name art. 254). De tekst onderaan verwijst naar een arrest van de Hoge Raad uit 1920, waaruit blijkt dat dit juridische geschil decennia later nog steeds actueel was. In de 19e eeuw probeerden veel Nederlandse gemeenten hun inkomsten te vergroten door creatieve interpretaties van belastingverordeningen. De rijksoverheid en de rechtspraak waakten er echter streng over dat gemeenten niet op de stoel van de landelijke wetgever gingen zitten door bedrijfsbelastingen in te voeren onder het mom van precario- of marktgelden. De strijd tegen de "vermomde recognitie" is een klassiek thema in de geschiedenis van het Nederlandse lokaal bestuur en het belastingrecht. Het document is waarschijnlijk een uittreksel uit een juridisch handboek of een dossier van een gemeenteambtenaar belast met marktwezen.