Extract uit het Boek der Besluiten van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam.
Origineel
Extract uit het Boek der Besluiten van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam. Woensdag, 7 Augustus 1940. No. 11/20/M. 1940
No. 473 P.W./1940.
Vaststelling van bepalingen in bestekken in verband met den oorlogstoestand.
E x t r a c t
uit het Boek der Besluiten van
Burgemeester en Wethouders van Amsterdam.
No. 77/ L.M. 1940
Woensdag, 7 Augustus 1940.
Gezien
[Paraaf/Handtekening: Abarthw?]
[Handgeschreven kanttekening links:] Mr. d'Ailly
De Wethouder voor de Openbare Gezondheid en het Ziekenhuiswezen, voor den Wethouder voor de Publieke Werken, herinnert Burgemeester en Wethouders:
1o aan het in hun vergadering van 12 October 1939 genomen besluit om in de bestekken voor gemeentewerken op te nemen de "bijzondere bepaling in verband met oorlogsgevaar enz.", zooals deze voor de Rijkswerken is vastgesteld;
2o aan hun besluit van 3 November 1939, No. 665 P.W.1939, waarbij de inhoud van de onder 1o bedoelde bijzondere bepaling ter kennis van alle hoofden van diensten, bedrijven en administratiën is gebracht;
3o aan hun besluit van 8 Maart 1940, No. 649 P.W.1939, waarbij de onder 2o bedoelde bijzondere bepaling wordt gewijzigd en aangevuld.
De Wethouder voornoemd brengt vervolgens ter tafel:
a een schrijven van den Secretaris-Generaal, waarnemend Hoofd van het Departement van Waterstaat, dd. 17 Juli 1940, No. 453, waarbij is gevoegd een afschrift van een brief van dat Departement, dd. 12 Juni 1940, gericht aan de Federatie van Werkgevers in het Bouwbedrijf, betreffende regeling voor de op 10 Mei 1940 in uitvoering zijnde bestekken in verband met den ingetreden oorlogstoestand, en waaruit blijkt, dat het Rijk zich op moreele gronden gebonden acht aan in den brief vermelde bepalingen, alsof deze in het bestek waren opgenomen, bepalende, dat het verschil in vervoerkosten vergeleken met die vóór 10 Mei 1940 ten volle aan den aannemer wordt vergoed en dat voorts een tegemoetkoming kan worden toegekend in de na 9 Mei 1940 wegens de oorlogsomstandigheden geleden schade;
b een schrijven van den Rijksdienst voor de Werkverruiming, houdende:
dat de bovenbedoelde door het Rijk vastgestelde aanvullende bepalingen ook zullen gelden voor de werkfondswerken alsof zij in de betreffende bestekken opgenomen waren;
dat, ten behoeve van bestekken, die nog moeten worden aanbesteed, de "bijzondere bepaling in verband met oorlogsgevaar, enz" met inachtneming van het bovenvermelde in eenigszins gewijzigden vorm opnieuw is samengesteld onder den naam "bijzondere bepalingen ter beperking van het risico van den aannemer";
c de op de onder a en b bedoelde brieven uitgebrachte rapporten van den Directeur der Publieke Werken, dd. 26 Juli 1940, No. 6587/Doss. 10108 Secr. en No. 6356/Doss. 26 Secr.
Spreker deelt mede:
dat het Departement van Waterstaat voor de Rijkswerken, die nog moeten worden aanbesteed, eveneens nieuwe bepalingen heeft vastgesteld, welke gelijkluidend zijn aan die van den Rijksdienst voor de Werkverruiming;
en dat voor de op 10 Mei 1940 in uitvoering zijnde bestekken van gemeentewerken eenzelfde gedragslijn ten aanzien van de aan de aannemers toe te kennen schadevergoeding ware te volgen als voor de Rijkswerken is voorgeschreven.
Spreker wijst er voorts nog op, dat in de nieuwe bepalingen de stijging van de loonen in plaats van 50% voor 70% zal worden vergoed.
Op voorstel van den Wethouder voornoemd wordt door de vergadering het volgende besloten:
A. Punt 4 van de "Bijzondere bepaling in verband met oorlogsgevaar, enz." wordt aangevuld met:
Wanneer de vóór 10 Mei 1940 normale wijze van vervoer niet meer mogelijk is, wordt door de Directie van het betreffende werk, den aannemer gehoord, voor beide partijen bindend bepaald, welke de kosten van het vervoer onder de gewijzigde omstandigheden zijn. Het verschil tusschen de aldus verkregen kosten en die van het vervoer onder de vóór 10 Mei 1940 bestaande omstandigheden, wordt ten volle aan den aannemer vergoed.
B. Er kan een tegemoetkoming worden toegekend in na 9 Mei 1940 geleden schade wegens bijzondere omstandigheden, welke ontstaan zijn ten gevolge van het in oorlog geraken van Nederland, indien daardoor bepaalde onderdeelen van het werk veel kostbaarder zijn geworden. Gedacht wordt b.v. aan het langer moeten bemalen van een fundeeringsput; aan het moeten wijzigen van een werkmethode, omdat de aannemer niet de beschikking kan krijgen over brandstof voor zijn op [...] Dit document is een officieel besluit van het Amsterdamse college van Burgemeester en Wethouders (B&W) van 7 augustus 1940. De kern van het besluit is het aanpassen van contractvoorwaarden (bestekken) voor lopende en toekomstige publieke bouwprojecten.
De belangrijkste punten zijn:
* Risicoverdeling: Door de inval van de Duitsers op 10 mei 1940 zijn de omstandigheden voor aannemers drastisch veranderd (stijgende kosten voor transport en arbeid, schaarste aan brandstof).
* Compensatie: De gemeente besluit, in navolging van de Rijksoverheid, om aannemers tegemoet te komen. Transportkosten die hoger uitvallen dan vóór de invasie worden volledig vergoed.
* Loonstijging: De vergoeding voor loonstijgingen wordt verhoogd van 50% naar 70%.
* Onvoorziene schade: Er komt een regeling voor specifieke oorlogsschade, zoals extra kosten door langere bemaling van bouwputten of gedwongen wijziging van werkmethoden door brandstoftekort.
Het document illustreert hoe de civiele administratie direct na de Nederlandse capitulatie probeerde de economische continuïteit te waarborgen door juridische en financiële kaders aan te passen aan de nieuwe realiteit van de bezetting. Op het moment van dit besluit (augustus 1940) is Nederland bijna drie maanden bezet door nazi-Duitsland. Hoewel het land onder militair bestuur (en later civiel bestuur onder Seyss-Inquart) staat, functioneren de gemeentebesturen en de ambtelijke apparaten grotendeels door volgens de bestaande Nederlandse wetgeving.
De datum 10 mei 1940 fungeert in dit document als de juridische "waterscheiding". Projecten die vóór die datum waren aangenomen, gingen uit van een vredessituatie (of een situatie van gewapende neutraliteit). Na de invasie werd het uitvoeren van deze contracten voor veel bedrijven financieel onmogelijk zonder overheidssteun. De verwijzing naar de "moreele gronden" waarop het Rijk zich gebonden acht, duidt op een poging om het bouwbedrijf voor faillissement te behoeden en de werkgelegenheid in stand te houden, wat ook in het belang van de bezetter was (om onrust te voorkomen).
De aanwezigheid van de naam van Mr. d'Ailly (Arnold Jan d'Ailly) is historisch interessant; hij was destijds werkzaam bij de gemeentesecretarie en zou na de oorlog, in 1946, burgemeester van Amsterdam worden.