Getypte rapportage (pagina 4).
Origineel
Getypte rapportage (pagina 4). -4-
Als algemeen gemiddelde op de scholen in Nederland kan in normale tijden worden aangenomen 16° tot 19° C, dus 61° tot 66° F.
Voor de openbare middelbare scholen, de inrichtingen voor voorbereidend hooger onderwijs, de lycea, kweek- en vormscholen en nijverheidsscholen zullen dezelfde maatregelen wel niet zonder ernstige bezwaren voor het onderwijs genomen kunnen worden.
In verband daarmede beveelt de Commissie aan voor die inrichtingen zooveel mogelijk overeenkomstige maatregelen te treffen.
De mogelijkheden tot beperking van het brandstofverbruik in de universitaire inrichtingen loopen zoo sterk uiteen, dat geen algemeene voorschriften op dit punt te geven zijn. De Commissie acht het daarom gewenscht, dat Burgemeester en Wethouders te dezer zake rechtstreeks met den Senaat der Universiteit overleg plegen.
Op het brandstofverbruik der bijzondere gesubsidieerde inrichtingen voor lager of nijverheidsonderwijs kan het gemeentebestuur geen rechtstreekschen invloed uitoefenen. Het zal ongetwijfeld een zuinig gebruik ook in die inrichtingen bevorderen, indien Burgemeester en Wethouders onder de aandacht der besturen brengen, welke maatregelen ten opzichte van de openbare inrichtingen zijn genomen en hun in overweging geven op overeenkomstige wijze te handelen.
Bijzondere maatregelen voor de Musea,
het Archief en den Stadsschouwburg.
De Commissie heeft zich ook beziggehouden met de verwarming van de museumgebouwen, de archiefgebouwen en den Stadsschouwburg. Uit de besprekingen, welke hare Voorzitter met de leiders dier instellingen heeft gehouden, is haar gebleken, dat het wel mogelijk is het tijdstip, waarop het Stedelijk Museum verwarmd dient te worden, te verschuiven tot 15 November e.k. en dat de Musea Fodor en Willet Holthuysen, alsmede het Amsterdamsch Historisch Museum in het Waaggebouw niet verwarmd behoeven te worden. De verwarming van het Stdelijk Museum kan naar de meening der Commissie eindigen uiterlijk 15 Maart d.o.v.
Van de Gemeente-archiefgebouwen wordt dat aan de Heerenmarkt electrisch verwarmd en het gebouw aan den Amsteldijk centraal met steenkool. In laatstgenoemd gebouw zou de verwarming in 5 van de 6 dépôts kunnen worden afgezet. Het personeel kan dan in één verwarmd vertrek worden ondergebracht.
In den Stadsschouwburg kunnen de foyers onverwarmd zijn. Voorts behoeft de schouwburg niet meer van des morgens tot aan het einde der avondvoorstelling verwarmd te zijn, doch alleen gedurende den tijd, dat het voor de uitoefening van den dienst strikt noodig is.
Wat de temperatuur in den Stadsschouwburg betreft, is de Administrateur dier instelling van oordeel, dat een schouwburg niet gelijk is te stellen met andere overheidsgebouwen, waar het publiek verplicht is te komen. In den schouwburg komt men uitsluitend uit vrijen wil en dan nog tegen betaling van een toegangsprijs. Is zoo'n gebouw niet of niet voldoende verwarmd, dan blijft het publiek weg. Ook is het ondenkbaar te achten, dat theaterbezoekers, die voor hun genoegen uit zijn, met een overjas of mantel aan zouden willen zitten. In een museum kan men een uurtje met een jas aan rondloopen, doch in een theater moet men ongeveer drie uren vrijwel aan één stuk blijven zitten.
Naar de meening van genoemden Administrateur is een onverwarmd theater niet alleen voor het publiek doch misschien in nog sterkere mate voor de artisten een groot bezwaar.
De Commissie kan de aangevoerde argumenten onderschrijven en zij meent dan ook, dat voor den Stadsschouwburg moeilijk een bepaalde temperatuur kan worden voorgeschreven. Wel beveelt zij aan de temperatuur laag te houden, daar de mogelijkheid, dat aan den Stadsschouwburg meer dan 60% van het verbruik gedurende het afgeloopen stookseizoen zal worden toegewezen, wel niet aanwezig zal zijn.
Verwarming van gebouwen, waarin personeel dienst doet ten behoeve van de luchtbescherming.
De Commissie verwacht van de bovenbedoelde maatregelen een groote besparing op het brandstoffenverbruik. Bij haar is echter de vraag gerezen, of het mogelijk zal zijn deze maatregelen bij alle Diensten en Bedrijven door te voeren, zulks met het oog op de verwarming van de lokaliteiten, waarin het personeel, dat aan de luchtbescherming deelneemt, moet verblijven. * **Kernboodschap:** De overheid onderzoekt drastische besparingsmogelijkheden op brandstof (kolen) voor openbare gebouwen. Men probeert een balans te vinden tussen noodzakelijke verwarming voor de volksgezondheid/educatie en de extreme schaarste.
- Prioritering:
- Musea zoals Fodor en Willet Holthuysen worden volledig van de verwarming afgesloten.
- In archieven wordt het personeel geconcentreerd in één ruimte om 83% van de dépôts onverwarmd te laten.
- Voor scholen wordt gezocht naar een middenweg, maar voor de Stadsschouwburg gelden commerciële/artistieke overwegingen: men is bang dat het publiek wegblijft als het te koud is.
- Opvallende details:
- Het gebruik van zowel Celsius als Fahrenheit.
- De specifieke datering van het stookseizoen voor het Stedelijk Museum (15 nov - 15 maart).
- De typering "Stdelijk" (typefout in origineel) in de tweede alinea van de sectie musea.
- De limiet van 60% van het verbruik ten opzichte van het voorgaande jaar voor de Schouwburg. Dit document stamt uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945), waarschijnlijk tussen 1941 en 1944. De brandstofschaarste was in deze jaren nijpend doordat steenkool prioritair naar de Duitse oorlogsindustrie ging.
De tekst illustreert de bureaucratische omgang met de schaarste in Amsterdam. De verwijzing naar de Luchtbescherming (Luchtbeschermingsdienst) is cruciaal; dit personeel moest vaak 's nachts in koude gebouwen waken voor luchtaanvallen, wat een uitzonderingspositie voor verwarming rechtvaardigde. De argumentatie van de administrateur van de Stadsschouwburg toont aan dat men, ondanks de oorlogssituatie, probeerde het culturele leven (en de bijbehorende inkomsten) met pragmatische argumenten in stand te houden.