Archief 745
Inventaris 745-306
Pagina 74
Dossier 100
Jaar 1940
Stadsarchief

Officieel afschrift van een schrijven van het Departement van Binnenlandsche Zaken.

11 oktober 1940.

Origineel

Officieel afschrift van een schrijven van het Departement van Binnenlandsche Zaken. 11 oktober 1940. No.1/88/1 M.1940 AFSCHRIFT.
No: 947 L.M.1940.
DEPARTEMENT VAN BINNENLANDSCHE ZAKEN.
Betreffende:
Voedselvoorziening. No.25853 Afd.B.B.
's-Gravenhage, 11 October 1940.

Op verzoek van mijn ambtgenoot van Landbouw en Visscherij heb ik de eer het volgende te Uwer kennis te brengen.
Ter verkrijging van een gelijkmatige verdeeling van den beschikbaren voedselvoorraad moet van overheidswege over de geheele voedselproductie van den Nederlandschen bodem beschikt kunnen worden. Teneinde dit te bereiken werd bepaald, dat de telers van akkerbouwgewassen over het meerendeel van hun producten niet kunnen beschikken dan door deze in te leveren bij de betreffende overheidsinstantie. Voor een groot aantal producten, waaronder granen en peulvruchten, bestaat zelfs het voornemen binnen korten tijd een inleveringsplicht op grond van het Landbouwinleveringsbesluit 1940 in het leven te roepen. Voor het komende seizoen zal worden geleverd aan de Provinciale Inkoopcentrales voor Akkerbouwproducten (P.I.C.A.'s), welke de producten overnemen tegen vastgestelde prijzen, terwijl deze provinciale instanties, waarbij iedere teler als georganiseerde moet zijn aangesloten, de aanwijzingen hebben op te volgen van de Nederlandsche Inkoopcentrale voor Akkerbouwproducten (de N.I.C.A.). Nu vele Nederlandsche gemeenten ertoe zijn overgegaan van gemeentewege akkerbouwproducten en wel speciaal peulvruchten als bijv. bruine en witte bonnen te doen verbouwen, doet zich in verband met het bovenstaande de vraag voor op welke wijze dit uit een oogpunt van voedselvoorziening zeer te waardeeren initiatief het best tot zijn recht zal komen, m.a.w. welke bestemming van deze van gemeentewege verbouwde producten het doelmatigst moet worden geacht.
Eenerzijds zijn de betreffende gemeenten te beschouwen als telers, waardoor dus ook op hen de verplichting rust de producten ter beschikking van de volkshuishouding te houden en te zijner tijd in te leveren bij de P.I.C.A. Anderzijds zou men den gemeenten van het afleveringsverbod en van de bepalingen van het Landbouwinleveringsbesluit ontheffing kunnen verleenen en het gemeentebestuur de vrije beschikking over de producten laten. Dit laatste lijkt evenwel niet gewenscht, daar zich hierbij weder het probleem voordoet, welke bestemming door het gemeentebestuur aan de producten dient te worden gegeven. Een gemeentelijke distributieregeling naast de landelijke distributie moet alleen al om het feit, dat niet alle gemeenten akkerbouwproducten hebben verbouwd en overigens de bebouwde oppervlakten ook naar verhouding zeer uiteenloopend zullen zijn, ongewenscht worden geacht. Zou men de voorraden willen gebruiken voor speciale doeleinden als bijv. het verstrekken van warme maaltijden, dan zij opgemerkt, dat met de verzorging van deze materie een speciale afdeeling van het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening in Oorlogstijd is belast, welker bemiddeling bij het aanschaffen der benoodigde ingrediënten kan worden ingeroepen. Een algemeene In deze brief zet het Departement van Binnenlandsche Zaken het beleid uiteen omtrent de centrale regie over de voedselvoorraad in bezet Nederland. De kern van het schrijven is dat gemeenten die op eigen initiatief landbouwproducten (zoals bonen) telen, niet het recht hebben deze zelfstandig te distribueren onder hun eigen inwoners.

De overheid redeneert dat gemeenten juridisch gezien gelijkstaan aan 'telers' en daarom onderworpen zijn aan de inleveringsplicht bij de Provinciale Inkoopcentrales (P.I.C.A.). Het doel hiervan is om een "gelijkmatige verdeeling" over het hele land te waarborgen en te voorkomen dat er grote verschillen ontstaan tussen gemeenten met en zonder eigen landbouwgrond. Lokale autonomie wordt hier ondergeschikt gemaakt aan het landelijke (door de bezetter gecontroleerde) distributiesysteem. Dit document stamt uit oktober 1940, enkele maanden na de Duitse inval in Nederland. De bezetter en de Nederlandse bureaucratie voerden direct een strakke geleide economie in om schaarste te beheersen en de voedselstroom te controleren (mede ten behoeve van de Duitse oorlogsmachinerie).

Het genoemde "Landbouwinleveringsbesluit 1940" was een cruciaal instrument in dit proces. Het dwong boeren hun gehele oogst tegen vastgestelde prijzen aan de staat te verkopen. Veel gemeenten probeerden in de eerste oorlogsmaanden de lokale nood te lenigen door zelf braakliggende stukken grond te bebouwen, maar zoals dit document aantoont, werd dergelijke lokale zelfredzaamheid door de centrale overheid al snel aan banden gelegd ten gunste van het landelijke distributiesysteem. De brief reflecteert de bureaucratische transitie naar de volledige rantsoenering en centrale voedselvoorziening in oorlogstijd.

Samenvatting

In deze brief zet het Departement van Binnenlandsche Zaken het beleid uiteen omtrent de centrale regie over de voedselvoorraad in bezet Nederland. De kern van het schrijven is dat gemeenten die op eigen initiatief landbouwproducten (zoals bonen) telen, niet het recht hebben deze zelfstandig te distribueren onder hun eigen inwoners.

De overheid redeneert dat gemeenten juridisch gezien gelijkstaan aan 'telers' en daarom onderworpen zijn aan de inleveringsplicht bij de Provinciale Inkoopcentrales (P.I.C.A.). Het doel hiervan is om een "gelijkmatige verdeeling" over het hele land te waarborgen en te voorkomen dat er grote verschillen ontstaan tussen gemeenten met en zonder eigen landbouwgrond. Lokale autonomie wordt hier ondergeschikt gemaakt aan het landelijke (door de bezetter gecontroleerde) distributiesysteem.

Historische Context

Dit document stamt uit oktober 1940, enkele maanden na de Duitse inval in Nederland. De bezetter en de Nederlandse bureaucratie voerden direct een strakke geleide economie in om schaarste te beheersen en de voedselstroom te controleren (mede ten behoeve van de Duitse oorlogsmachinerie).

Het genoemde "Landbouwinleveringsbesluit 1940" was een cruciaal instrument in dit proces. Het dwong boeren hun gehele oogst tegen vastgestelde prijzen aan de staat te verkopen. Veel gemeenten probeerden in de eerste oorlogsmaanden de lokale nood te lenigen door zelf braakliggende stukken grond te bebouwen, maar zoals dit document aantoont, werd dergelijke lokale zelfredzaamheid door de centrale overheid al snel aan banden gelegd ten gunste van het landelijke distributiesysteem. De brief reflecteert de bureaucratische transitie naar de volledige rantsoenering en centrale voedselvoorziening in oorlogstijd.

Kooplieden in dit dossier 23

Bevelanders [met rode stippen eronder] Waterlooplein " 247,80
M. Wagenhuizen Waterlooplein " 376,12
N. Eigenhuis Waterlooplein " 115,05 [vinkje]
N. Eigenhuis Waterlooplein "   70,87
Bl.Eigenheimer Waterlooplein 15,75
A. Bonten Waterlooplein " 278,60
Div. soorten Waterlooplein f 19.437,625
G. Franzen Waterlooplein
I. A-soorten exc. Eigenheim. en Bevelanders Waterlooplein 8½ <br> 8½
B. Soort Waterlooplein 7 <br> 7
II soorten Eigenh. en Bevelanders Waterlooplein 8 <br> 8
J. van Andel Waterlooplein
J. Gooyer Wzn (geboren 1881) Waterlooplein 113505
N.G. v.d. Bijl Waterlooplein
B. Pinkster Waterlooplein 1.781,39
B. Pinkster Waterlooplein " 278,60
B. Pinkster Waterlooplein " 3.362,35
A. Geboorte Waterlooplein " 3.362,35 ✓
A. Geboorte Waterlooplein " 3.362,35 [vinkje]
A. Geboorte Waterlooplein " 790.53 [vinkje]
Edward Voûte (Burgemeester) Waterlooplein " 235,07
Edward Voûte (Burgemeester) Waterlooplein " 236,84