Archiefdocument
Origineel
7 februari 1940. Een ambtenaar namens de Directeur van het Marktwezen (Dr. J. van der Laan), Gemeente Amsterdam. De Heer Wethouder (vermoedelijk de wethouder belast met Publieke Werken of Marktwezen). GEMEENTE AMSTERDAM
AMSTERDAM, 7 Februari 1940.
AFD. [niet ingevuld]
No. [niet ingevuld]
BIJLAGEN
MEN WORDT VERZOCHT BIJ HET ANTWOORD
NAUWKEURIG HET NUMMER EN DE AFDEELING
VAN DIT SCHRIJVEN TE VERMELDEN.
Heer Wethouder,
Hedenmorgen kreeg ik telefonisch mededeeling van den heer Sevenster van de Nederlandsche Akkerbouw Centrale, Den Haag, dat de voorraad Regeeringsaardappelen, welke hier ter stede is opgeslagen, de aanstaande week uitgeput zal zijn. De Regeering overweegt thans om den bedoelden voorraad niet te vernieuwen, doch, alvorens een desbetreffend besluit te nemen, wenscht zij het advies in te winnen van de gemeenten Amsterdam en Rotterdam. Zij wenscht uiterlijk morgenochtend, 8 Februari a.s., door telefonische mededeeling aan de Akkerbouw Centrale te vernemen, of de gemeente Amsterdam het noodig vindt, dat de bovenbedoelde voorraadvorming wordt voortgezet. Indien de noodzaak daartoe, volgens de Gemeente werkelijk zou bestaan, dan moet onze desbetreffende mededeeling van sterke argumenten vergezeld gaan. Het enkele feit, dat de Gemeente het voor haar voedselvoorziening wel veilig vindt, dat hier ter stede een voorraad aardappelen is opgeslagen, wordt door de Centrale geen argument van beteekenis geacht. Op mijn opmerking, dat het hier toch, vooral ook een defensieaangelegenheid betreft, kreeg ik ten antwoord, dat de Gemeente daarmede in het geheel geen rekening heeft te houden; wij hebben eenvoudig de vraag te beantwoorden, of het - afgezien van defensie en wat daarmee samenhangt - noodig is, dat de Regeering voorraden blijft houden te Amsterdam.
Ik pleegde omtrent vorenstaande aangelegenheid telefonisch overleg met mijn Directeur, den heer Dr. van der Laan, die van hetgeen hieronder volgt op de hoogte is en zich er mede vereenigt.
Ik verzocht, in opdracht van den Directeur, het bestuur van de Vereeniging van Groothandelaren in aardappelen, bij mij
Aan
Model G.A. 6
50.000--10-'37 * Onderwerp: De kern van de brief is de vraag of de Rijksoverheid (via de Nederlandsche Akkerbouw Centrale) de noodvoorraad aardappelen in Amsterdam moet aanvullen nu deze bijna op is.
* Tijdsbeeld: De datum (7 februari 1940) is cruciaal. Nederland bevindt zich in de periode van de mobilisatie, drie maanden voor de Duitse inval. De spanning over de voedselvoorziening in oorlogstijd is duidelijk voelbaar.
* Bureaucratische spanning: Er is een opmerkelijke spanning zichtbaar tussen de gemeente en de centrale overheid in Den Haag. De schrijver probeert het argument "defensie" aan te voeren, maar wordt door de Akkerbouw Centrale teruggefloten: men wil enkel civiele, economische argumenten horen. Dit wijst op een strikte (wellicht geforceerde) scheiding tussen normale bedrijfsvoering en oorlogsgerelateerde voorzorgsmaatregelen vanuit Den Haag.
* Urgentie: De tijdslijn is extreem kort. De mededeling komt binnen op 7 februari en Den Haag eist uiterlijk de volgende ochtend (8 februari) een gemotiveerd antwoord. In de jaren voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog trof de Nederlandse regering diverse maatregelen om de voedselvoorziening veilig te stellen via de Landbouwcrisiswet. De Nederlandsche Akkerbouw Centrale (NAC) speelde hierin een centrale rol. Het "veiligheidsvoorraadsysteem" was bedoeld om tekorten bij een eventuele blokkade of oorlog te voorkomen.
De genoemde Dr. J. van der Laan was destijds directeur van het Amsterdamse Marktwezen. Hij speelde een sleutelrol in de logistiek van de voedselvoorziening in de hoofdstad, zowel voor als tijdens de bezetting. Deze brief illustreert hoe lokale overheden worstelden met de centrale regie vanuit Den Haag in een tijd van naderende internationale dreiging. De aardappel was destijds het belangrijkste volksvoedsel; een tekort zou direct tot sociale onrust kunnen leiden.