Archiefdocument
Origineel
15 februari 1940 Adam 15/2 '40.
J. Senator werd in 1935 een
toegangskaart verstrekt als personeel
bij M. Cortissos.
In 1936 is Senator als ontslagen
opgegeven.
Vermoedelijk heeft hij buiten de markt
voor Cortissos nog diensten verricht.
In mei 1938 is Cortissos zelf als
grossier van de C.M. verdwenen.
Vanaf 31 Aug 1938 tot 8 Juli 1939,
werd Senator, bij mijn gehouden leurders-
controle, door mij als zelfstandig koopman
aangetroffen.
Hij handelde in deze periode uitsluitend
in Zuidvruchten.
Eveneens bestond de handel van
Cortissos tijdens de 20 jaar dat ik hem
als grossier heb ~~[onleesbaar]~~ gekend speciaal
uit Zuidvruchten.
Ik wil nog opmerken, dat tijdens mijn
gehouden controle op de leurders, ik eenige
keeren heb getracht Senator te bewerken
een plaats op de CM te doen innemen.
Steeds was zijn antwoord dat hij geen geld
genoeg bezat om f 25.- plaatsgeld te kunnen
betalen, ook beweerde hij steeds de markt voor
zijn afzet niet noodig te hebben en met loshandel
leveren te kunnen volstaan. Het document is een ambtelijk verslag, waarschijnlijk geschreven door een inspecteur van de Centrale Markt of een politiefunctionaris belast met markttoezicht. De tekst schetst de professionele loopbaan van J. Senator, die begon als werknemer van de grossier M. Cortissos.
De belangrijkste bevindingen in het document zijn:
1. Arbeidshistorie: Senator werd in 1936 officieel ontslagen door Cortissos, maar bleef vermoedelijk informeel voor hem werken buiten de marktregels om.
2. Zelfstandigheid: Na het verdwijnen van Cortissos als grossier in 1938, zette Senator zijn activiteiten voort als zelfstandig handelaar (leurder) in zuidvruchten.
3. Economische status: Senator weigerde een vaste standplaats op de markt vanwege de kosten (25 gulden plaatsgeld). Hij gaf de voorkeur aan de "loshandel", wat wijst op een kleinschalige, mobiele vorm van verkoop die minder administratieve lasten en kosten met zich meebracht.
4. Specialisatie: Beide personen richtten zich uitsluitend op de handel in zuidvruchten (citrus, vijgen, dadels, etc.). De datum van het document (15 februari 1940) is saillant; het is slechts drie maanden voor de Duitse inval in Nederland. De namen Senator en Cortissos duiden op personen van Joodse (Sefardische) afkomst, een groep die historisch gezien een prominente rol speelde in de Amsterdamse handel in zuidvruchten.
De Centrale Markt (C.M.) aan de Jan van Galenstraat was het epicentrum van de groothandel in Amsterdam. Documenten zoals deze werden vaak opgesteld om toezicht te houden op vergunningen en belastingafdracht, maar in de context van 1940 kunnen ze ook onderdeel zijn geweest van de toenemende registratiedrift van de overheid ten aanzien van de Joodse bevolking en hun economische posities. Het document illustreert de informele economie van die tijd en de strijd van kleine handelaren om het hoofd boven water te houden zonder de hoge kosten van een officiële standplaats.