Getypte brief (doorslag).
Origineel
Getypte brief (doorslag). 27 maart 1940. Onbekend (waarschijnlijk een gemeentelijke instantie in Amsterdam, gezien de straatnamen). VP/HG.
2B/18/1 M. extra 27 Maart 1940.
den Heer Directeur van de
Nederlandsche Groenten- en Fruit-
centrale,
Laan Copes van Cattenburch 62,
' s - G r a v e n h a g e .
Hiermede heb ik de eer Uw aandacht te vragen voor
het navolgende. Mevrouw A.J.Lamberts-de Jong, geboren 7 Januari
1899 en wonende Frederik Hendrikstraat 137 hs alhier, heeft
een aanvrage ingediend om een erkenning als kleinhandelaarster
in fruit.
Haar bedoeling is, om voor eigen rekening een delica-
tessenzaak te beginnen in de Frederik Hendrikstraat ter hoogte
van het Hugo de Grootplein alhier. Hoewel deze zaak hoofdzake-
lijk zal worden ingericht voor den verkoop van biscuit en choco-
ladeartikelen, wil zij daar toch tevens, zij het als een bij-
komstig artikel, fruit gaan verkoopen. Zij is eenige jaren,
tot 1925, als verkoopster werkzaam geweest in een groenten-en
fruitzaak, later delicatessenzaak, van haar moeder en heeft
zich hierdoor de kennis van het fruit eigen gemaakt. In 1925 is
zij gehuwd. Haar man was groothandelaar in bovengenoemd bedrijf
en begon, naast de grossierderij, een kleinhandelszaak met deze
artikelen. Deze zaak, welke eerst gevestigd was in de Kinker-
straat en daarna op den Kloveniersburgwal, heeft bestaan van
1932 tot 1936 en werd geheel door Mevrouw Lamberts gedreven.
Haar man kocht het fruit, dat zij daar verhandelde, zelf op de
veilingen en daardoor heeft zij nimmer toegang gehad tot de
Centrale Markt. Deze brief is een formeel verzoek aan de Nederlandsche Groenten- en Fruit-centrale om een vergunning (erkenning) te verlenen aan Mevrouw A.J. Lamberts-de Jong voor de verkoop van fruit in haar geplande delicatessenzaak in Amsterdam.
De schrijver zet de kwalificaties van de aanvraagster uiteen om de kans op toewijzing te vergroten. Mevrouw Lamberts-de Jong heeft aanzienlijke ervaring:
1. Werkervaring bij haar moeders groenten- en fruitzaak tot 1925.
2. Het volledig zelfstandig drijven van de kleinhandelstak van haar mans groothandel tussen 1932 en 1936 (eerst in de Kinkerstraat, later op de Kloveniersburgwal).
Een specifiek detail dat wordt vermeld is dat zij nooit toegang heeft gehad tot de Centrale Markt omdat haar man de inkoop op de veilingen deed. Dit is waarschijnlijk een relevant administratief punt voor de beoordeling van de Centrale, aangezien toegang tot de markt gereguleerd was. Het document dateert van maart 1940, slechts enkele weken voor de Duitse inval in Nederland. De brief weerspiegelt de sterk gereguleerde economie van die tijd. Om handel te mogen drijven in specifieke producten zoals groenten en fruit, had men toestemming nodig van centrale instanties zoals de "Nederlandsche Groenten- en Fruit-centrale".
De genoemde locaties (Frederik Hendrikstraat, Hugo de Grootplein, Kinkerstraat en Kloveniersburgwal) plaatsen de aanvraag onmiskenbaar in Amsterdam. De term "alhier" in de tekst bevestigt dat de brief vanuit Amsterdam is geschreven.
De brief biedt ook een inkijkje in de sociaaleconomische positie van vrouwen in die tijd: hoewel zij de zaak "geheel dreef", gebeurde dit formeel vaak onder de vlag van het bedrijf van de echtgenoot. Bij het starten van een eigen zaak in 1940 moet zij haar individuele ervaring en bekwaamheid opnieuw bewijzen aan de autoriteiten.