Verslag van een bespreking (Bijlage A bij een brief).
Origineel
Verslag van een bespreking (Bijlage A bij een brief). Bijlage A, behoorende bij brief no.20/1/3 M.d.d. 16 November 1940 aan den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen van den Directeur van den Centralen Dienst voor de Levensmiddelenvoorziening en van den Directeur v/h Marktwezen.
N o t i t i e s inzake een bespreking met vertegenwoordigers van den groentehandel op 6 November 1940.
A a n w e z i g : van het Marktwezen: de Directeur, Dr.A.v.d.Laan; de heer Sixma; de Secretaris, Mr.A.van Praag; de Bedrijfschef, de heer Broerse.
Van den handel: de heeren Dijkstra, Draaisma, Van Bladeren en Wijnschenk.
De handel deelt mede, dat kool niet zonder meer kan worden bewaard. In Noord-Holland geschiedt de bewaring in speciale schuren, waar het product voortdurend bewerkt moet worden, anders verrot het. Op de Centrale Markt is geen enkel pakhuis voor den opslag van kool geschikt, aangezien de pakhuizen daartoe houten vloeren zouden moeten hebben. Alleen het Koelhuis is voor den bedoelden opslag geschikt, maar ook daar zou vakkundige bewerking van de kool noodig zijn.
Veel eenvoudiger dan kool zijn rapen, wortelen en uien te bewaren.
Normaal gesproken is er overvloed van groente; wij weten echter niet, hoeveel eventueel geexporteerd zal worden. Wortelen en kool zijn vooral in Noord-Holland aanwezig, zoo ook vatgroente. Koolrapen zijn vooral in Friesland, uien in Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland.
Voorraden bij het publiek aan vatgroente en eigen inmaak zijn ongetwijfeld zeer groot; ook de winkeliers hebben wel eenige voorraden, de grossiers niet.
De handel wijst erop, dat momenteel geen voorraad van kool kan worden gemaakt, aangezien de kool, die thans aan de veiling komt, daarvoor niet deugt. De goede winterkool wordt eerst na Nieuwjaar aan de veilingen aangevoerd. De koolvoorziening van Amsterdam zal den geheelen aanstaanden winter geen gevaar loopen, indien de handel slechts zeker kon zijn over een aantal auto’s met benzine te kunnen beschikken, wanneer het verkeer te water door strenge vorst is gestremd. Indien derhalve de Gemeente een hoeveelheid benzine voor dit doel in reserve zou kunnen houden, zal deze aanvoer in het geheel geen gevaar loopen. In dit verband diene, dat de boeren de kool in den regel per schuit naar de veiling aan den Langendijk voeren; als derhalve door strenge vorst de schuiten niet kunnen varen dan geschiedt ook de aanvoer naar de veilingen niet. De veilingen verkoopen in dat geval op monster en de koopers moeten per auto het gekochte bij de boeren weghalen.
Alleen aan de drie veilingen Noord-Scharwoude, Broek op Langendijk en Warmenhuizen schat de handel den aanwezigen voorraad kool, peen en bieten op 8.000 wagons à 10 ton.
Vatgroente, zooals snij-, spercieboonen en andijvie, kan men buiten opslaan. Dit geldt niet voor zuurkool, aangezien deze bij strenge vorst bevriest en dan niet meer uit de vaten kan worden verwijderd. Vatgroente, die goed wordt bewaard, kan men jarenlang goed houden.
De handel wijst erop, dat 5.000 vaten groente zeer veel is. Een vat snij- of spercieboonen duurt normaal gesproken bij een winkelier ongeveer twee weken; er zijn in Amsterdam ongeveer 1000 winkeliers, die echter nog lang niet allen een vat spercieboonen of snijboonen per twee weken noodig hebben.
De heer Sixma deelt mede, dat men op een verdieping van het koelhuis vier honderd à vijf honderd ton kool zou kunnen bewaren. Daarop verklaart de handel, dat dit 50 wagons kool beteekent, hetgeen ruimschoots voldoende is voor een geheelen maand. (Natuurlijk wordt hierbij aangenomen dat ook nog eenige andere groente en peulvruchten verkrijgbaar zijn).
Op een mededeeling van den Directeur, dat de Gemeente overweegt om voorraad van stapelgroente en vatgroente te gaan maken, verklaart de handel dat dit ongewenscht is, omdat in dat geval de handel zelf geen zaken meer zou durven doen en dus de aanvoer door den handel zou stagneeren. Een veel betere oplossing zou zijn, indien het mogelijk was, dat de handel zelf – eventueel gefinancierd door de Gemeente – voor een zekere voorraadvorming in Amsterdam zou kunnen zorgen. Deze mogelijkheid wordt nader besproken. Daarbij komt vast te staan, dat het voor de handelaren in vatgroente geen overwegende bezwaren oplevert om een voorraad, die bijvoorbeeld voor twee weken voldoende is, op de Centrale Markt aan te leggen en te houden. De aanwezige vertegenwoordigers van den handel zullen bij de voornaamste groothandelaren in vatgroente nagaan hoeveel vaten zij ieder op de Centrale Markt in voorraad zullen neerleggen. Dit document legt de logistieke uitdagingen bloot van de voedselvoorziening in Amsterdam tijdens de eerste winter van de Duitse bezetting. Enkele kernpunten zijn:
- Opslagproblematiek: Kool is een lastig product omdat het rotgevoelig is en specifieke eisen stelt aan de ventilatie (houten vloeren) en deskundige behandeling. De Centrale Markt blijkt technisch onvoldoende uitgerust voor grootschalige koolopslag, behalve in het Koelhuis.
- Transport en Vorst: Er is een grote afhankelijkheid van vervoer over water (de veilingen in de "Langedijk"). De handel waarschuwt dat bij vorst de aanvoer stilvalt, tenzij er gegarandeerde benzinetoewijzingen komen voor vrachtwagens. Dit onderstreept de schaarste aan brandstof in 1940.
- Economische Dynamiek: Er is een spanningsveld tussen gemeentelijk ingrijpen (voorraadvorming door de overheid) en de vrije handel. De handelaren vrezen marktverstoring en pleiten voor een model waarbij zij de voorraad beheren, eventueel met financiële steun van de gemeente.
- Vatgroente als Buffer: In tegenstelling tot verse kool wordt vatgroente (geconserveerd in zout/zuur) gezien als een veilige langetermijnreserve die jarenlang goed blijft. Het document dateert van november 1940, slechts enkele maanden na de Nederlandse capitulatie. Hoewel de hongerwinter nog ver weg is, bereidt het Amsterdamse stadsbestuur (onder wethouder van de Levensmiddelen) zich voor op mogelijke tekorten en distributieproblemen.
De genoemde locaties (Noord-Scharwoude, Broek op Langendijk) vormden destijds het hart van de Nederlandse koolteelt ("De Tuin van Europa"). De genoemde Dr. A. van der Laan was een centrale figuur in het Amsterdamse Marktwezen en verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van de Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat. De notitie laat zien hoe de overheid en het bedrijfsleven probeerden de voedselvoorziening stabiel te houden in een tijd waarin internationale handel (export) onzeker werd en schaarste aan transportmiddelen begon te knellen.