Typoscript (Afschrift van een ambtelijke brief).
Origineel
Typoscript (Afschrift van een ambtelijke brief). 24 december 1940. Onbekend (waarschijnlijk een hoge ambtenaar of adviseur van de Centrale Dienst voor de Levensmiddelenvoorziening). Afschrift.
20/1/12 M. 24 December 1940.
Voorraadvorming van vat- den Heer Wethouder groenten in den aanstaanden voor de Levensmiddelen, winter. A l h i e r .
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat ingevolge Uw opdracht de directeur van den Centralen Dienst voor de Levensmiddelenvoorziening en ondergeteekende met vertegenwoordigers van den groothandel in vatgroenten overleg hebben gepleegd omtrent de vraag of buiten de reeds getroffen maatregelen nog moest worden overgegaan tot het vormen van een voorraad vatgroenten voor de periode van 1 Januari 1941 tot einde April 1941. Van de bedoelde besprekingen, welke op 14, 19 en 20 December jl. hebben plaats gehad, zijn korte notities gemaakt, welke hierbij in afschrift worden overgelegd (bijlagen A, B en C).
In de bespreking van 20 December jl. werd tenslotte een voorloopig voorstel geformuleerd, dat in de notities onder het hoofd "Opslag van vatgroenten" is opgenomen. De daarbij bedoelde prijsopgave werd op 23 dezer door den handel ingediend; hiervan doe ik U in bijlage dezes afschrift toekomen (bijlage D).
De daarin gevraagde vergoedingen zijn mijns inziens zeer aan den hoogen kant; dit geldt eveneens voor de prijzen, waarvoor de per 1 Mei 1941 onverkochte vaten groenten door de Gemeente zouden moeten worden overgenomen. Mijn Ambtgenoot van den Centralen Dienst voor de Levensmiddelenvoorziening onderschrijft deze meening volkomen.
De vraag rijst, gezien de cijfers betreffende de voorraden (ook die bij winkeliers aanwezig zijn) en die betreffende het geschatte verbruik, welke tijdens de laatste bespreking op 20 December jl. genoemd werden, of de aanvankelijk voorgenomen uitbreiding van den opslag met 1400 vaten nog wel noodig is. Immers het verbruik wordt getaxeerd op 10.000 vaten gedurende de periode van 1 Januari tot 30 April 1941. De voorraad, welke bij winkeliers aanwezig is, wordt voorzichtig geschat op 6500 vaten boonen en andijvie en 1000 vaten zuurkool. Totaal 7500 vaten. Hierbij komen de 1100 vaten, welke reeds voor de Gemeente zijn gereserveerd. Dit maakt tezamen uit: 8600 vaten. Bovendien kan de hoeveelheid zuurkool te leveren door de zuurkoolfabrikanten aan de grossiers in het aanstaande voorjaar, worden gesteld op 4000 vaten. De grossiers maken hierbij het voorbehoud, dat deze vaten eventueel niet voor export zouden worden gevorderd.
De grossiers hebben momenteel zelf nog een voorraad van 900 vaten groente, welke eventueel zouden worden opgenomen in de extra-reserve van 1400 vaten. De opvatting van de grossiers, dat ze deze vaten, indien ze niet krachtens overeenkomst met de Gemeente zouden worden geblokkeerd, voor een belangrijk gedeelte buiten Amsterdam zouden worden verkocht, kan ik niet deelen. De grossiers zijn immers verplicht, voor het behoud van hun normale clientèle, mede met het oog op den verkoop van andere artikelen, te zorgen dat zij deze clientèle zoo lang mogelijk kunnen bedienen. Het is niet aan te nemen, dat zij dus een belangrijk deel van deze 900 vaten naar buiten zullen verkoopen, zonder dat zij de zekerheid hebben, dat zij deze artikelen op andere wijze kunnen aanvullen ten behoeve van hun normalen afzet onder de Amsterdamsche winkeliers.
Op grond van een en ander mag mijns inziens worden aangenomen, dat de positie ten aanzien van de vatgroentenvoorziening van Amsterdam niet onrustbarend behoeft te worden geacht, zelfs als niet wordt overgegaan tot aanvulling van het loopende contract met 1400 vaten groente. * Kern van het document: Het document betreft een ambtelijk advies aan de Amsterdamse wethouder van Levensmiddelen over de noodzaak om extra voorraden "vatgroenten" (in zout of zuur ingelegde groenten zoals sperziebonen, andijvie en zuurkool) aan te leggen.
* Belangenconflict: Er is een duidelijk spanningsveld zichtbaar tussen de gemeente en de groothandel. De groothandel vraagt volgens de schrijver te hoge vergoedingen en dreigt voorraden buiten de stad te verkopen als de gemeente geen prijsgaranties geeft ("blokkeren"). De schrijver stelt echter dat de handel hun Amsterdamse klanten niet zomaar in de steek zal laten.
* Kwantitatieve gegevens: De brief geeft een gedetailleerd overzicht van de voedselpositie op dat moment:
* Geschat verbruik (jan-apr 1941): 10.000 vaten.
* Huidige voorraad (winkels + gemeente): 8.600 vaten.
* Verwachte aanvoer zuurkool: 4.000 vaten.
* Conclusie: De totale beschikbare hoeveelheid (12.600 vaten) overstijgt het verbruik, waardoor extra overheidsinkoop van 1.400 vaten niet nodig wordt geacht.
* Taalgebruik: Het document is opgesteld in de toen gangbare formele spelling (bijv. "ondergeteekende", "aanstaanden", "Amsterdamsche"). * Historische periode: December 1940, de eerste winter van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.
* Voedselvoorziening: Hoewel de beruchte Hongerwinter pas vier jaar later zou plaatsvinden, was de voedselvoorziening direct vanaf 1940 een punt van grote zorg voor het gemeentebestuur. De distributie was reeds ingevoerd en de overheid probeerde grip te krijgen op de voorraden om tekorten en prijsopdrijving te voorkomen.
* Vatgroenten: In een tijd zonder moderne diepvriestechnieken en met beperkte blikconserven waren vatgroenten (geconserveerd door inmaak in zout of door fermentatie, zoals zuurkool) essentieel voor de vitaminevoorziening in de wintermaanden.
* Lokaal bestuur: De wethouder voor Levensmiddelen in Amsterdam in deze periode was de heer In 't Veld, al vonden er in de vroege bezettingsjaren veel verschuivingen plaats in het stadsbestuur onder druk van de bezetter. Het document illustreert de bureaucratische processen die doorliepen om de stad draaiende te houden.