Getypte ambtelijke brief/memo.
Origineel
Getypte ambtelijke brief/memo. 8 november 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Marktwezen-afdeling of een vergelijkbare gemeentelijke dienst in Amsterdam). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, alhier (Amsterdam). [Handgeschreven: Verzonden 8/11]
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
20/45/2 M 2 8 November 1940.
Verzoek om inlichtingen
inzake Th. L. van Haastrecht.
Onder terugzending van de met Uw kantbrief d.d. 22 Oc-
tober jl. om spoedig advies ontvangen stukken no.110/60 L.M.
1940 heb ik de eer U te berichten, dat Th. L. van Haastrecht
een vaste plaats heeft gehad op de dagmarkt Albert Cuypstraat,
welke plaats op 8 Mei 1939 werd ingetrokken. Sedertdien is
Van Haastrecht voornoemd bij mijn dienst niet meer als markt-
koopman bekend. Een ventvergunning heeft hij niet.
De Directeur, Dit document is een ambtelijk antwoord op een informatieverzoek van de Amsterdamse Wethouder voor de Levensmiddelen. De kern van de rapportage is de vaststelling dat de heer Th. L. van Haastrecht op het moment van schrijven (november 1940) geen actieve status meer heeft als marktkoopman.
Zijn vaste standplaats op de Albert Cuypmarkt is al anderhalf jaar eerder, op 8 mei 1939, ingetrokken. Bovendien wordt expliciet vermeld dat hij niet over een ventvergunning beschikt. De brief is zakelijk en formeel ("heb ik de eer U te berichten") en dient om de administratieve status van een burger te verifiëren voor beleidsmatige of toezichthoudende doeleinden. Het document dateert van de vroege periode van de Duitse bezetting van Nederland (mei 1940 - mei 1945). In deze periode werden administraties strenger gecontroleerd en werden vergunningen van marktkooplieden en straathandelaren nauwgezet nagetrokken.
De Albert Cuypmarkt in de Amsterdamse Pijp was (en is) een van de belangrijkste markten van de stad. In de oorlogsjaren was de controle op handel en distributie van levensmiddelen cruciaal vanwege de toenemende schaarste en de invoering van de distributiebonnen. De Wethouder voor de Levensmiddelen speelde hierin een centrale rol. Hoewel de intrekking van Van Haastrechts vergunning dateert van vóór de bezetting (1939), past de hernieuwde interesse in zijn status in de bureaucratische controle die de bezetter en de meewerkende gemeentelijke diensten uitvoerden op de beroepsbevolking en de handel.