Archief 745
Inventaris 745-314
Pagina 93
Dossier 82
Jaar 1940
Stadsarchief

Getypte ambtelijke brief (doorslag of origineel).

4 april 1940. Van: De Directeur (vermoedelijk van een Amsterdamse gemeentelijke dienst, gezien het adres in de tekst).

Origineel

Getypte ambtelijke brief (doorslag of origineel). 4 april 1940. De Directeur (vermoedelijk van een Amsterdamse gemeentelijke dienst, gezien het adres in de tekst). Handgeschreven in bovenmarge:
ter. M. de Raer
ter. M. Müller

Links bovenaan:
21/13/2 M.

Midden bovenaan:
VP/HG.

Rechts bovenaan (handgeschreven paraaf):
[Onleesbaar] 6/4 - '40.

Rechts bovenaan (getypt):
4 April 1940.

Onderwerp (links):
Kwijtschelding van op brand-
stoffenmarkten verschuldigd
marktgeld aan fa. Höpken & Lequin.

Adressering (rechts):
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .

Inhoud:
Hiermede heb ik de eer U te berichten, dat de firma
Höpken & Lequin, Jacob van Lennepkade 129, onder andere met
het brandstoffenvaartuig No. 1755, groot 45 ton, voor het
kalenderjaar 1940 ligplaats heeft gekozen aan de brandstof-
fenmarkten hier ter stede. De voornoemde firma heeft het
bedoelde vaartuig met ingang van 2 April jl. verkocht en het
wordt niet meer op de markten gebezigd. Zij verzoekt daarom
het door haar terzake verschuldigde marktgeld, ten bedrage
van ƒ 45,-, gedeeltelijk kwijtgescholden te krijgen. Inwilli-
ging van dit verzoek lijkt mij billijk. Indien zij voor het
bedoelde vaartuig volgens het tarief per kalendermaand en per
kalenderweek had betaald, zou zij tot 2 April jl. een bedrag
van ƒ 14,63 zijn schuldig geweest. Zij kan dus mijns inziens
voor een kwijtschelding van ƒ 45,- - ƒ 14,63 = ƒ 30,37 in
aanmerking komen.
Ik geef U beleefd in overweging wel te willen be-
vorderen, dat daartoe door Burgemeester en Wethouders, over-
eenkomstig het bepaalde in artikel 10 van de Verordening op
de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden, wordt
besloten.

De Directeur,

--- * Doel van de brief: De directeur adviseert de wethouder om een gedeeltelijke teruggaaf (kwijtschelding) van marktgeld te verlenen aan een Amsterdamse firma.
* Aanleiding: De firma Höpken & Lequin heeft hun brandstoffenvaartuig (Nr. 1755) op 2 april 1940 verkocht. Omdat zij voor het hele jaar vooruit hadden betaald, maar het schip niet meer gebruiken, vragen zij een deel van de kosten terug.
* Berekening: Het jaarlijkse marktgeld bedroeg 45 gulden. De directeur heeft berekend dat de firma voor de periode van 1 januari tot 2 april (op basis van maand- en weektarieven) slechts 14,63 gulden verschuldigd zou zijn. Het verschil van 30,37 gulden komt in aanmerking voor kwijtschelding.
* Juridische grondslag: Er wordt verwezen naar Artikel 10 van de 'Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden'.
* Toon: Zeer formeel en ambtelijk ("heb ik de eer U te berichten", "geef U beleefd in overweging").

--- * Tijdsbeeld: De brief is gedateerd 4 april 1940, slechts vijf weken voor de Duitse inval in Nederland. Desondanks gaat het dagelijks ambtelijk bestuur in Amsterdam zijn gewone gang. Brandstof (zoals kolen) was in die tijd essentieel voor verwarming en industrie, en de distributie ervan via de grachten was een cruciaal onderdeel van de stedelijke economie.
* Locatie: De genoemde firma was gevestigd aan de Jacob van Lennepkade 129 in Amsterdam. De "brandstoffenmarkten" waren specifieke locaties aan de grachten waar schepen met brandstof mochten liggen voor verkoop en distributie.
* Bestuur: De brief illustreert de hiërarchie binnen de gemeente: een directeur bereidt een besluit voor, de wethouder legt het voor aan het college van Burgemeester en Wethouders (B&W) voor de uiteindelijke besluitvorming. De afdeling 'Levensmiddelen' hield zich in die tijd ook bezig met de distributie van brandstoffen, wat door de oorlogsdreiging reeds gereguleerd was.

Samenvatting

  • Doel van de brief: De directeur adviseert de wethouder om een gedeeltelijke teruggaaf (kwijtschelding) van marktgeld te verlenen aan een Amsterdamse firma.
  • Aanleiding: De firma Höpken & Lequin heeft hun brandstoffenvaartuig (Nr. 1755) op 2 april 1940 verkocht. Omdat zij voor het hele jaar vooruit hadden betaald, maar het schip niet meer gebruiken, vragen zij een deel van de kosten terug.
  • Berekening: Het jaarlijkse marktgeld bedroeg 45 gulden. De directeur heeft berekend dat de firma voor de periode van 1 januari tot 2 april (op basis van maand- en weektarieven) slechts 14,63 gulden verschuldigd zou zijn. Het verschil van 30,37 gulden komt in aanmerking voor kwijtschelding.
  • Juridische grondslag: Er wordt verwezen naar Artikel 10 van de 'Verordening op de heffing van markt-, standplaats- en ventgelden'.
  • Toon: Zeer formeel en ambtelijk ("heb ik de eer U te berichten", "geef U beleefd in overweging").

Historische Context

  • Tijdsbeeld: De brief is gedateerd 4 april 1940, slechts vijf weken voor de Duitse inval in Nederland. Desondanks gaat het dagelijks ambtelijk bestuur in Amsterdam zijn gewone gang. Brandstof (zoals kolen) was in die tijd essentieel voor verwarming en industrie, en de distributie ervan via de grachten was een cruciaal onderdeel van de stedelijke economie.
  • Locatie: De genoemde firma was gevestigd aan de Jacob van Lennepkade 129 in Amsterdam. De "brandstoffenmarkten" waren specifieke locaties aan de grachten waar schepen met brandstof mochten liggen voor verkoop en distributie.
  • Bestuur: De brief illustreert de hiërarchie binnen de gemeente: een directeur bereidt een besluit voor, de wethouder legt het voor aan het college van Burgemeester en Wethouders (B&W) voor de uiteindelijke besluitvorming. De afdeling 'Levensmiddelen' hield zich in die tijd ook bezig met de distributie van brandstoffen, wat door de oorlogsdreiging reeds gereguleerd was.

Locaties

De genoemde firma was gevestigd aan de Jacob van Lennepkade 129 in Amsterdam. De "brandstoffenmarkten" waren specifieke locaties aan de grachten waar schepen met brandstof mochten liggen voor verkoop en distributie.

Gerelateerde Documenten 6