Archiefdocument
Origineel
15 april 1940. Stefanie Linnenberg, wonende aan de Albert Cuypstraat 209 I, Amsterdam. 15 IV 1940
Weledele Heergeb. Heer Dr :
Hiermede verzoek ik u
beleefd mij toe te staan mijn
moeder Franziska Linnenberg
als assistente bij mijn
stal in de Albert Cuypstr.
te mogen emploieeren.
Hoopende op een gunstig
antwoord teeken ik met
de meest verschuldigde
hoogachting
Stefanie Linnenberg
Albert Cuypstr 209 I
Amsterdam
[Stempel onderaan:]
№ 25/60/1 M.1940 17/4 De kern van dit document is een formeel verzoek van Stefanie Linnenberg om haar moeder, Franziska Linnenberg, te mogen aanstellen als hulp bij haar marktkraam ("stal") op de Albert Cuypmarkt. De brief is geschreven in een zeer eerbiedige, bijna onderdanige stijl die kenmerkend was voor verzoekschriften aan de overheid in die tijd ("beleefd mij toe te staan", "meest verschuldigde hoogachting").
De ambtelijke afhandeling is zichtbaar door het paarse stempel onderaan, waaruit blijkt dat het verzoek op 17 april 1940 (twee dagen na verzending) is geregistreerd onder nummer 25/60/1. De handgeschreven initialen in de marges wijzen op de interne route binnen het betreffende departement. Dit document biedt een inkijkje in de strikte regulering van de Amsterdamse markthandel vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Nederland (de inval vond plaats op 10 mei 1940, nog geen maand na deze brief). Voor elke wijziging in de bezetting van een marktkraam was officiële goedkeuring nodig.
De namen Stefanie en Franziska Linnenberg suggereren een Duitse achtergrond. De Albert Cuypstraat was in die tijd een wijk waar veel Joodse Amsterdammers en migranten woonden en werkten. De brief getuigt van het feit dat het dagelijks leven en de bijbehorende bureaucratie in de laatste dagen van de Nederlandse neutraliteit nog in volle gang waren. Marktwezen