Getypte officiële brief met handgeschreven kanttekeningen.
Origineel
Getypte officiële brief met handgeschreven kanttekeningen. 4 mei 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Marktwezen-dienst van de gemeente Amsterdam). [Handgeschreven, rechtsboven:] Verz. [?] de Raad
VP/HG.
25/77/2 M. [Handgeschreven:] Verzonden 4/5-'40.
4 Mei 1940.
den Heer L.Slier,
Tugelaweg 83 I,
Amsterdam-Oost.
Wijk 20.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 26 April jl. bericht ik U, dat het daarin vervatte verzoek om U toe te staan zich op Uw plaats op de markt Albert Cuypstraat te laten bijstaan door Uw compagnon niet voor inwilliging in aanmerking kan komen.
De Directeur, Deze brief is een formeel, ambtelijk schrijven gericht aan een marktkoopman. De toon is zakelijk en afwijzend. De kern van het document is de weigering van een verzoek dat op 26 april 1940 door de heer L. Slier was ingediend. Hij wilde toestemming om geholpen te worden door een compagnon op zijn standplaats aan de Albert Cuypmarkt.
Opvallend is de nadruk op het woord "niet" (onderstreept in de getypte tekst), wat de definitieve aard van de afwijzing onderstreept zonder verdere motivering te geven in dit schrijven. De handgeschreven aantekeningen geven aan dat de brief op de dag van datering is verzonden en mogelijk is voorgelegd aan of afkomstig is van een specifieke raadscommissie of afdeling. De datum van de brief, 4 mei 1940, is historisch zeer saillant: het is slechts zes dagen voor de Duitse inval in Nederland op 10 mei 1940.
De geadresseerde, L. Slier, is vrijwel zeker Levie Slier (geboren in 1900), die volgens archiefkaarten inderdaad op de Tugelaweg 83-I woonde en van beroep marktkoopman was. De Tugelaweg ligt in de Transvaalbuurt, een wijk in Amsterdam-Oost die in die tijd een grote Joodse populatie kende. De Albert Cuypmarkt was (en is) een van de belangrijkste markten van de stad waar veel Joodse handelaren werkten.
Hoewel deze brief van vlak vóór de bezetting dateert, illustreert het de strikte regulering van de Amsterdamse markten door de gemeente. In de jaren die volgden, zouden Joodse marktkooplieden als gevolg van de anti-Joodse maatregelen van de bezetter eerst beperkt worden tot specifieke markten en uiteindelijk volledig uit het economische leven worden verbannen. Levie Slier zelf werd tijdens de Holocaust weggevoerd en kwam in september 1942 om in Auschwitz. Dit document is daarmee een tastbaar overblijfsel van het dagelijks leven en de bureaucratische realiteit van een Amsterdams gezin aan de vooravond van de catastrofe.