Verzoekschrift / Brief.
Origineel
Verzoekschrift / Brief. Ongedateerd (vermoedelijk vroege 20e eeuw, ca. 1905-1920). in het onderhoud van mijn huisgezin
te voorzien, en nu achterafgesteld
wordt in het verkrijgen van een plaats
Albert Cuypstr, alwaar ik mij dagelijks
bevind, verzoek ik U beleefd uit
het voorafgaande immer aanwezig
te achten, mij mede in het genot
te stellen van een vaste plaats.
zoover ik voordien gehad heb.
Met de gemoetkoming daaraan
wilt gij wel bij voorbaat mijn dank
aanvaarden.
Hoogachtend
A. Italiannder
Graaf Florisstraat
7 III
@
[In de kantlijn rechts:]
Wat beteekent zoo’n insinuatie?
Is die te dulden?
[paraaf] In deze brief verzoekt de heer A. Italiannder om de toewijzing van een vaste standplaats op de Albert Cuypstraat. Hij voert een sociaal-economisch argument aan: hij heeft deze plaats nodig om in het onderhoud van zijn gezin te voorzien. De schrijver uit zijn onvrede over het feit dat hij "achterafgesteld" (gepasseerd of benadeeld) wordt bij de huidige verdeling van plaatsen, ondanks dat hij naar eigen zeggen dagelijks aanwezig is op de markt. Hij refereert aan een eerdere situatie waarin hij wel over een vaste plek beschikte.
Het document is door een behandelend ambtenaar van commentaar voorzien. De rode onderstreping onder "vaste plaats" dient om de kern van de petitie snel te identificeren in het dossier. De handgeschreven notitie in de kantlijn getuigt van ambtelijke irritatie. De bewering van Italiannder dat hij achtergesteld wordt, wordt door de ambtenaar opgevat als een beledigende "insinuatie" (verdachtmaking) die niet getolereerd zou moeten worden. Dit wijst op een gespannen verhouding tussen de marktkooplieden en de marktmeester of het gemeentebestuur in die periode. De Albert Cuypmarkt in de Amsterdamse Pijp werd officieel ingesteld in 1905. Voor die tijd was de handel ongereguleerd, wat tot veel chaos leidde. De overgang naar een gereguleerd systeem met vergunningen en vaste standplaatsen ging gepaard met veel bureaucreatie en protesten van kooplieden die zich tekortgedaan voelden.
De achternaam "Italiannder" (mogelijk een verbastering van Italianer) en het adres in de Graaf Florisstraat plaatsen de afzender in een typisch sociaal milieu van de Amsterdamse markthandel uit die tijd. De Graaf Florisstraat ligt in Amsterdam-Oost, een buurt die destijds een grote populatie Joodse en andere kleine zelfstandigen kende die afhankelijk waren van de markthandel voor hun dagelijks brood. Dergelijke verzoekschriften zijn kenmerkend voor de vroege pogingen van de gemeente Amsterdam om de straathandel te ordenen en te beheersen.