Doorslag van een officiële kennisgeving/strafbeschikking.
Origineel
Doorslag van een officiële kennisgeving/strafbeschikking. 16 juli 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Marktwezen-dienst in Amsterdam). M. de Leer [handgeschreven]
HG. [getypt]
verzonden 16/7 [handgeschreven]
16 Juli 1940.
Mij is gerapporteerd, dat U op Zaterdag 13 Juli jl., ondanks de U gegeven waarschuwing, niet tijdig – dat wil zeggen om 9 uur n.m. – met Uw goederen de markt aan de Albert Cuypstraat had verlaten.
In verband met dit feit heb ik U, overeenkomstig het bepaalde in artikel 39 lid 1 van het Reglement op de Markten, voorwaardelijk gestraft met ontneming van het recht om op de markten hier ter stede een plaats in te nemen en wel voor den tijd van één dag. Deze straf zal ten uitvoer worden gelegd, indien U zich binnen één jaar na dato dezes andermaal aan een laakbare handeling op een der markten hier ter stede schuldig maakt, onverminderd de straf, die alsdan op het nieuwe feit zal worden gesteld.
De Directeur,
Gezonden aan:
H. Padberg, Rustenburgerstraat 362 I - 25/133/2 M.
I. Ensel, 1e v.d. Helststraat 13 I - 25/133/3 M.
P.J. Scheen, v. Ostadestraat 330 III - 25/133/4 M.
G. Slikker, Gov. Flinckstraat 192 belet. - 25/133/5 M. Dit document is een formele berisping en voorwaardelijke sanctie opgelegd aan vier marktkooplieden in Amsterdam. De kern van de overtreding is het niet tijdig ontruimen van de standplaats op de Albert Cuypmarkt op zaterdagavond 13 juli 1940. De gestelde deadline was 21:00 uur (9 uur n.m.).
De straf is een ontzegging van het recht om op de Amsterdamse markten te staan voor de duur van één dag. Omdat de straf voorwaardelijk is ("voorwaardelijk gestraft"), hoeven de betrokkenen deze niet direct te ondergaan, mits zij zich het komende jaar aan de regels houden. De juridische basis hiervoor is artikel 39, lid 1 van het toenmalige Reglement op de Markten.
De administratieve aard van het document blijkt uit de dossiernummers rechts onderaan, die per persoon verschillen, en de handgeschreven bevestiging dat de brief op 16 juli is verzonden. Het document dateert van juli 1940, slechts twee maanden na de Nederlandse capitulatie aan nazi-Duitsland. Hoewel de bezetting net was begonnen, bleven de gemeentelijke diensten en de handhaving van lokale verordeningen, zoals die van de markt, aanvankelijk op de gebruikelijke wijze functioneren.
De genoemde locaties (Rustenburgerstraat, 1e van der Helststraat, Van Ostadestraat en Govert Flinckstraat) bevinden zich allemaal in de wijk "De Pijp", direct grenzend aan de Albert Cuypmarkt. Dit duidt erop dat de marktkooplieden buurtbewoners waren.
Eén van de aangeschrevenen, I. Ensel, draagt een achternaam die veel voorkwam binnen de Joodse gemeenschap in Amsterdam. In deze fase van de bezetting waren specifieke anti-Joodse maatregelen op de markten nog in ontwikkeling (de definitieve verwijdering van Joodse kooplieden van de algemene markten vond later plaats). Dit document toont echter aan dat de reguliere discipline op de markt onverkort werd gehandhaafd. De Albert Cuypmarkt was en is een centrale economische en sociale spil in dit deel van de stad.