Archief 745
Inventaris 745-319
Pagina 226
Dossier 11
Jaar 1940
Stadsarchief

Dienstbrief / Administratieve kennisgeving.

5 augustus 1940. Van: De Directeur van het Marktwezen, Jan van Galenstraat 14, Amsterdam.

Origineel

Dienstbrief / Administratieve kennisgeving. 5 augustus 1940. De Directeur van het Marktwezen, Jan van Galenstraat 14, Amsterdam. [Briefhoofd met logo Gemeente Amsterdam]
MARKTWEZEN AMSTERDAM HG.


TELEFOONNUMMER 85151 VERZOEKE BIJ BEANTWOORDING DATUM EN NUMMER TE VERMELDEN


No. 26/59/3 M.
BIJLAGE __
ONDERWERP :
______

[Handgeschreven tekst bovenaan:] Verzonden 5/8

AMSTERDAM (W.) 5 Augustus 1940.
JAN VAN GALENSTRAAT 14

AAN den Heer A. van Dam,
Roeterstraat 22 II,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 10.

Op grond van het feit, dat U geen geregeld gebruik van de U verleende voorkeurskaart voor de markt Dapperstraat heeft gemaakt, behoort de inschrijving op de sollicitantenlijst voor bovengenoemde markt, ingevolge artikel 10 van het Reglement op de Markten, te worden geschrapt.

Alvorens hiertoe te besluiten roep ik U op om op 7 Aug. a.s. tusschen 9 ½ - 12 uur te komen bij den Inspecteur van mijn dienst, Jan van Galenstraat 14, Amsterdam-West.

De Directeur,

[Onderaan links:] A.Z. MODEL NO. 8. 10.000-9-'39-526. Dit document is een formele waarschuwing van de Dienst van het Marktwezen aan een marktkoopman, de heer A. van Dam. De kern van de brief is een voornemen tot een administratieve sanctie: het schrappen van de betrokkene van de sollicitantenlijst voor de Dappermarkt. De reden hiervoor is "verzuim": de heer Van Dam heeft zijn 'voorkeurskaart' (een bewijs dat recht geeft op een standplaats of voorrang bij toewijzing) niet regelmatig gebruikt.

De brief hanteert een strikt bureaucratische toon, verwijzend naar "artikel 10 van het Reglement op de Markten". Tegelijkertijd wordt de hoor-en-wederhoor toegepast door de geadresseerde uit te nodigen voor een gesprek bij de inspecteur voordat de definitieve beslissing wordt genomen. De korte termijn (brief van 5 augustus, afspraak op 7 augustus) duidt op een strakke handhaving van de marktregels. De datum van de brief, 5 augustus 1940, plaatst het document in de vroege maanden van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de brief een puur administratief karakter lijkt te hebben, is de sociaal-historische context van belang. De geadresseerde, A. van Dam, woonde in de Roeterstraat, een straat in de toenmalige Joodse buurt van Amsterdam.

In deze periode begonnen de eerste beperkende maatregelen tegen Joodse burgers vorm te krijgen, hoewel de grote uitsluiting van Joden van de markten pas later in 1941 officieel werd geëffectueerd. Het feit dat een marktkoopman zijn voorkeurskaart niet "geregeld gebruikte" in de zomer van 1940 kan wijzen op persoonlijke omstandigheden, maar ook op de toenemende onzekerheid en druk waaronder Joodse Amsterdammers destijds kwamen te staan. Uit oorlogsarchieven (zoals Joods Monument) blijkt dat Abraham van Dam, die op dit adres woonde, inderdaad een Joodse marktkoopman was die later in de oorlog is weggevoerd en vermoord. Dit document vormt daarmee een papieren getuigenis van de bureaucratische realiteit vlak voordat de systematische uitsluiting begon.

Samenvatting

Dit document is een formele waarschuwing van de Dienst van het Marktwezen aan een marktkoopman, de heer A. van Dam. De kern van de brief is een voornemen tot een administratieve sanctie: het schrappen van de betrokkene van de sollicitantenlijst voor de Dappermarkt. De reden hiervoor is "verzuim": de heer Van Dam heeft zijn 'voorkeurskaart' (een bewijs dat recht geeft op een standplaats of voorrang bij toewijzing) niet regelmatig gebruikt.

De brief hanteert een strikt bureaucratische toon, verwijzend naar "artikel 10 van het Reglement op de Markten". Tegelijkertijd wordt de hoor-en-wederhoor toegepast door de geadresseerde uit te nodigen voor een gesprek bij de inspecteur voordat de definitieve beslissing wordt genomen. De korte termijn (brief van 5 augustus, afspraak op 7 augustus) duidt op een strakke handhaving van de marktregels.

Historische Context

De datum van de brief, 5 augustus 1940, plaatst het document in de vroege maanden van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de brief een puur administratief karakter lijkt te hebben, is de sociaal-historische context van belang. De geadresseerde, A. van Dam, woonde in de Roeterstraat, een straat in de toenmalige Joodse buurt van Amsterdam.

In deze periode begonnen de eerste beperkende maatregelen tegen Joodse burgers vorm te krijgen, hoewel de grote uitsluiting van Joden van de markten pas later in 1941 officieel werd geëffectueerd. Het feit dat een marktkoopman zijn voorkeurskaart niet "geregeld gebruikte" in de zomer van 1940 kan wijzen op persoonlijke omstandigheden, maar ook op de toenemende onzekerheid en druk waaronder Joodse Amsterdammers destijds kwamen te staan. Uit oorlogsarchieven (zoals Joods Monument) blijkt dat Abraham van Dam, die op dit adres woonde, inderdaad een Joodse marktkoopman was die later in de oorlog is weggevoerd en vermoord. Dit document vormt daarmee een papieren getuigenis van de bureaucratische realiteit vlak voordat de systematische uitsluiting begon.

Gerelateerde Documenten 6