Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 7 augustus 1940. M. Dresden, Biesboschstraat 44, Amsterdam. Het Marktwezen van Amsterdam. [Links boven:]
M. Dresden.
Biesboschstraat 44.
[Midden boven, stempel:]
№ 26/59/8 M. 1940 9/8
[Rechts boven:]
A’dam 7 Aug. 1940
Aan het Marktwezen van
Amsterdam
Mijne Heeren,
Ik ontving Uw brief d.d. 5 Aug. j.l.
waarin mijn plaats op de markt Dapperstraat
ingetrokken zou worden. Ik verzoek U beleefd,
mij nog twee maanden de tijd te willen geven,
waarin ik doorbetalen wil, daar de tijd op het
oogenblik zeer slecht is en ik misschien intussen
weer handel krijgen kan. Daar ik reeds vele
jaren op de markt sta, zou ik gaarne die
plaats behouden.
Ik hoop dat dat U mijn verzoek
zult inwilligen en verblijf,
hoogachtend
M. Dresden
[Rechts boven de aanhef, handgeschreven notitie:]
in map In deze brief reageert M. Dresden op een aanzegging van de gemeente Amsterdam (het Marktwezen) dat zijn marktvergunning voor de Dappermarkt wordt ingetrokken.
Dresden voert de volgende argumenten aan om uitstel van twee maanden te krijgen:
1. Economische noodzaak: Hij geeft aan dat de handel op dat moment "zeer slecht" is, maar hoopt op verbetering in de nabije toekomst.
2. Betalingsbereidheid: Hij benadrukt dat hij de marktgelden wil blijven doorbetalen tijdens deze overbruggingsperiode.
3. Anciënniteit: Hij wijst erop dat hij al vele jaren op de markt staat, wat duidt op een langdurige afhankelijkheid van deze plek voor zijn inkomen.
De toon van de brief is uiterst beleefd en formeel ("Mijne Heeren", "verzoek U beleefd"), wat gebruikelijk was voor officiële correspondentie in die tijd, maar ook de precaire positie van de schrijver onderstreept. De datum van de brief, 7 augustus 1940, is cruciaal voor het begrijpen van de diepere tragiek. Nederland was op dat moment drie maanden bezet door nazi-Duitsland. Hoewel de brief een louter zakelijke toon lijkt te hebben over een marktplaats, vallen de gebeurtenissen samen met de eerste fasen van de economische uitsluiting van Joden in Nederland.
Mozes Dresden (de waarschijnlijke afzender, wonende in de Biesboschstraat in de Rivierenbuurt) was een Joodse marktkoopman. In de zomer van 1940 begonnen de bezetter en collaborerende instanties met het systematisch bemoeilijken van het levensonderhoud voor Joodse ondernemers. Het intrekken van marktvergunningen was een van de vroege methoden om Joden uit het openbare economische leven te weren.
Wat Dresden in de brief omschrijft als "de tijd die op het oogenblik zeer slecht is", verwijst waarschijnlijk niet alleen naar de algemene economische malaise na de inval, maar specifiek naar de toenemende segregatie en beperkingen voor Joodse handelaren. Uit archiefstukken blijkt dat Mozes Dresden later, in 1943, is gedeporteerd en vermoord in Sobibor. Dit geeft dit schijnbaar eenvoudige verzoek om "twee maanden de tijd" een hartverscheurende historische lading: het was een wanhopige poging om vast te houden aan een laatste restant van een normaal bestaan en inkomen.