Handgeschreven ambtelijke correspondentie (briefkaart of briefje).
Origineel
Handgeschreven ambtelijke correspondentie (briefkaart of briefje). 15 augustus 1940. Waarschijnlijk een ambtenaar of afdelingshoofd (ondertekend door T. Mol of F. Mol). Den heer Inspecteur
v.h. Marktwezen. alhier.
Br: 26/59/B. m. '40.
Rekening houdende met deze moeilijke
tijd is m. i. tegen het verzoek van
den heer Dresden om ongeveer twee
maanden zijn plaats in de Dapperstraat
niet te bezetten geen bezwaar, met die
voorwaarde, dat hij op tijd zijn markt-
geld betaald.
Amsterdam 15 Aug. '40
[Handtekening, mogelijk T. Mol] Het document is een kort ambtelijk bericht betreffende de marktvergunning van een zekere heer Dresden. In het schrijven wordt toestemming verleend aan Dresden om zijn standplaats op de Amsterdamse Dappermarkt gedurende circa twee maanden onbezet te laten. De schrijver motiveert dit besluit door te verwijzen naar de "moeilijke tijd". Er wordt echter één strikte voorwaarde gesteld: de marktgelden moeten wel tijdig voldaan blijven worden.
Het handschrift is een typisch 20e-eeuws Nederlands cursief. De taal is zakelijk en formeel. De term "m.i." staat voor "mijns inziens". Dit document dateert van augustus 1940, slechts drie maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. De "moeilijke tijd" waar de schrijver naar verwijst, duidt direct op de onzekere sociaaleconomische en politieke situatie vlak na de capitulatie.
De Dappermarkt in Amsterdam-Oost bevond zich in een buurt met een aanzienlijke Joodse populatie. De achternaam 'Dresden' is veelvoorkomend onder Joodse Amsterdammers uit die tijd. Hoewel het document geen expliciete reden geeft voor de afwezigheid, is het mogelijk dat dit verband houdt met de toenemende restricties of de algemene malaise die de Joodse gemeenschap trof. In augustus 1940 waren de grootschalige deportaties nog niet begonnen, maar de eerste anti-Joodse maatregelen door de bezetter werden wel al ingevoerd. Het behouden van de standplaats door middel van het doorbetalen van marktgeld suggereert dat de heer Dresden de intentie had (of gedwongen was de schijn op te houden) om zijn nering in de nabije toekomst voort te zetten.