Afschrift van een brief (getypt).
Origineel
Afschrift van een brief (getypt). 3 april 1940. W.E. Busso (huiseigenaar). Burgemeester en Wethouders van Amsterdam. No.27/21/2 M. 1940 20/4 AFSCHRIFT
No.1304 Bel.Pr. 19/4 1940.
Amsterdam, 3 April 1940.
Aan den Burgemeester en Wethouder
van Amsterdam.
WelEd.Heer,
Ondergeteekende huiseigenaar van perceel Ten Katestraat 48m vraagt bij deze Uw aandacht voor het volgende geval, in de verwachting, dat U in deze een bevredigende oplossing zal weten te xxxxxxx geven.
In het winkelhuis van bovengenoemde perceel is xxxxxxxx gevestigd een zaak in gemaakte legerries, enz. De huurder hangt, om zijn artikelen in het oog te doen loopen eenige artikelen aan de gevel. Dit doe deze, omdat de Ten Katestraat als markt is aangewezen en zijn zaak verscholen gaat achter de voor zijn deur geplaatste stallen. Van politiezijde is hem medegedeeld, dat hij deze artikelen moet verwijderen. Hierdoor vreest hij een achteruitgang van zijn verkoop. Vooral in deze wijk, waar aangezien de koopkracht van het wonende publiek niet te groot is, vreest hij, dat zijn omzet nog meer terug zal loopen en zijn verplichtingen tegenover mij niet na zou kunnen komen. Gevolg: een leeg winkelhuis, met de daaraan verbonden nadeelige gevolgen mijnerzijds enz. enz. De bedoeling van dit schrijven is dus, UEd. te verzoeken de betrokken winkelier vergunning te verleenen de artikelen buiten te laten hangen of maatregelen te treffen, dat er tusschen de bij hem voor het huis geplaatste stallen zooveel ruimte gelaten kan worden, dat zijn zaak voldoende in het oog loopt. In de hoop, dat U in het belang van huurder en verhuurder in deze een gunstige oplossing zal weten te vinden, verblijf ik met de meeste
Hoogachting,
w.g. W.E.Busso,
Ten Katestraat 48 I,
A'dam-W. In deze brief beklaagt huiseigenaar W.E. Busso zich bij het stadsbestuur over de situatie van zijn huurder op de Ten Katestraat 48. De kern van het probleem is de frictie tussen de gevestigde winkeliers en de dagmarkt. Omdat de marktkramen ("stallen") direct voor de winkelpui staan, is de winkel onzichtbaar voor voorbijgangers. Om dit te compenseren, hangt de winkelier goederen aan de gevel, wat door de politie verboden is.
De schrijver hanteert een economisch argument: de buurt heeft een lage koopkracht en de winkelier is afhankelijk van zichtbaarheid om het hoofd boven water te houden. Busso spreekt hierbij ook uit eigenbelang; als de huurder failliet gaat, verliest hij zijn huurinkomsten. Hij stelt twee oplossingen voor: ofwel een officiële vergunning voor het uitstallen aan de gevel, ofwel meer fysieke ruimte tussen de marktkramen voor zijn deur.
Opvallend in de tekst is de term "gemaakte legerries". Dit is vermoedelijk een typefout voor "lingeries" of een verouderde/verbasterde term voor confectiekleding of lederwaren. De brief is gedateerd op 3 april 1940, slechts vijf weken voor de Duitse inval in Nederland. De Ten Katestraat in de Kinkerbuurt (Amsterdam-West) was toen al, en is nu nog steeds, een van de belangrijkste marktstraten van Amsterdam. De markt werd officieel ingesteld in 1910.
De brief geeft een inkijkje in de dagelijkse overlevingsstrijd van kleine ondernemers in de vooroorlogse jaren. De Kinkerbuurt was in die tijd een typische volksbuurt waar de economische crisis van de jaren '30 nog diepe sporen had nagelaten, wat de opmerking over de geringe "koopkracht van het wonende publiek" verklaart. De ambtelijke toon en de verwijzing naar "politiezijde" laten zien dat de handhaving van de openbare orde en marktverordeningen strikt was. W.E. Busso Politie