Officiële brief van de Gemeente Amsterdam, Dienst van het Marktwezen.
Origineel
Officiële brief van de Gemeente Amsterdam, Dienst van het Marktwezen. 1 november 1940. De Directeur van het Marktwezen Amsterdam, Jan van Galenstraat 14. [Logo: Wapen van Amsterdam met drie kruizen en twee leeuwen]
MARKTWEZEN
AMSTERDAM HG.
TELEFOONNUMMER 85151 VERZOEKE BIJ BEANTWOORDING DATUM EN NUMMER TE VERMELDEN
No. 27/99/1 M.
BIJLAGE
ONDERWERP:
**AMSTERDAM (W.) 1 November 1940.**
JAN VAN GALENSTRAAT 14
**AAN**
**den Heer D.Hofman,**
**Pres.Brandstraat 46 III,**
**Amsterdam-Oost.**
**Wijk 20.**
Op grond van het feit, dat U geen gevolg hebt
gegeven aan de aan U gerichte schriftelijke waarschuwing
om Uw plaats op de markt Ten Katestraat
regelmatig te bezetten, behoort Uw marktplaats ingevolge
artikel 11 van het Reglement op de Markten te worden inge-
trokken.
Alvorens hiertoe te besluiten roep ik U op om op
4 November a.s. om 9 uur v.m. te komen bij den
Inspecteur van mijn dienst, Jan van Galenstraat 14, Amster-
dam-West.
De Directeur,
[Handgeschreven aantekening bovenaan:] Verzonden 1/11
[Links onderaan:] A.Z. MODEL NO. 8. 10.000-6-'38-1633. Deze brief is een formeel administratief schrijven van het Amsterdamse Marktwezen. De toon is dwingend en bureaucratisch. De kern van de zaak is dat de heer Hofman zijn toegewezen standplaats op de Ten Katemarkt niet conform de regels ("artikel 11 van het Reglement op de Markten") bezet.
Opvallend is de korte termijn: de brief is gedateerd op vrijdag 1 november en de heer Hofman wordt al op maandagochtend 4 november om 9 uur verwacht bij de inspecteur aan de Jan van Galenstraat. Dit wijst op een strikte handhaving van de marktregels door de gemeente. De handgeschreven notitie "Verzonden 1/11" bevestigt dat de brief op de dag van datering de deur uit is gegaan. De datum van de brief, 1 november 1940, plaatst het document in de vroege fase van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hoewel de brief op het eerste gezicht een routineuze administratieve kwestie lijkt, is de historische context van belang.
De heer Hofman woonde in de President Brandstraat in de Transvaalbuurt, een wijk die in die tijd een zeer grote Joodse populatie kende. In deze periode begonnen de bezettingsautoriteiten en het meewerkende gemeentebestuur met het stapsgewijs beperken van de economische vrijheden van Joodse burgers. Vanaf 1941 werden Joodse marktkooplieden steeds vaker geweerd van reguliere markten en gedwongen naar specifieke "Joodse markten".
Het is onbekend of deze specifieke waarschuwing direct gerelateerd was aan anti-Joodse maatregelen (zoals het onmogelijk maken van de bedrijfsvoering waardoor een plek 'leeg' bleef) of dat het een reguliere handhavingskwestie betrof. Desalniettemin illustreert het document de rigide bureaucratische controle op het dagelijks leven en de handel in Amsterdam kort na het begin van de bezetting.