Doorslag van een officiële brief / ambtelijke correspondentie.
Origineel
Doorslag van een officiële brief / ambtelijke correspondentie. 16 september 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Marktwezen/Gemeente Amsterdam, gezien de referentie naar het Waterlooplein). [Handgeschreven, rechtsboven:] L. v. M. v. Kaaij [?]
[Handgeschreven, schuin door de tekst:] extra
[Getypt, rechtsboven:] VP/HG.
[Adresregel:]
den Heer J.Cohen,
Kerkstraat 119,
B o d e g r a v e n .
[Referentie en datum:]
30/50/2 M. 16 September 1940.
[Inhoud:]
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 15 Augustus jl. bericht ik U, dat het daarin vervatte verzoek niet voor inwilliging in aanmerking kan komen. Indien U voortaan Uw plaats op de markt Waterlooplein niet regelmatig bezet, dat wil zeggen ten minste twee maal per week, zal deze plaats worden ingetrokken, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Reglement op de Markten.
[Ondertekening:]
De Directeur, De brief is een formeel antwoord aan de heer J. Cohen uit Bodegraven. De strekking is een afwijzing van een eerder gedaan verzoek (gedaan op 15 augustus 1940) en bevat een waarschuwing. De essentie van de brief is dat de heer Cohen zijn marktplaats op het Waterlooplein in Amsterdam dreigt te verliezen als hij deze niet "regelmatig bezet" (minimaal twee keer per week). De toon is strikt bureaucratisch en verwijst naar het geldende 'Reglement op de Markten'.
Opvallend is dat de geadresseerde in Bodegraven woont, maar een marktplaats op het Amsterdamse Waterlooplein heeft. Dit impliceert een aanzienlijke reistijd voor een marktkoopman in die periode. Dit document is gedateerd op 16 september 1940, slechts enkele maanden na de start van de Duitse bezetting van Nederland. De context is hierdoor zeer beladen:
1. Locatie: Het Waterlooplein was van oudsher het centrum van de Joodse markt in Amsterdam.
2. Naam: De achternaam 'Cohen' duidt er sterk op dat de geadresseerde van Joodse afkomst is.
3. Bezetting: Hoewel de grootschalige uitsluiting van Joden uit het openbare leven in september 1940 nog in een beginfase zat, begonnen de autoriteiten (vaak onder druk van de bezetter of door strikte naleving van regels) de bewegingsvrijheid en economische positie van Joodse ondernemers in te perken.
De eis om minimaal twee keer per week aanwezig te zijn, kan in deze context gezien worden als een middel om marktkooplieden die vanwege de oorlogsomstandigheden of reisbeperkingen hun handel niet volledig konden uitoefenen, hun vergunning te ontnemen. Dit document vormt daarmee mogelijk een schakel in de bureaucratische uitsluiting van Joodse burgers tijdens de vroege bezettingsjaren. J. Cohen Gemeente Amsterdam Marktwezen