Het document betreft een moeizaam geformuleerd concept voor een verzoek om een onderhoud, waarschijnlijk gericht aan een justitiële autoriteit (gezien de afkorting "E.A.", Edelhoogachtbare). De auteur, Mr. Arnold van Praag, reageert op zware beledigingen en beschuldigingen die tegen hem zijn geuit. Hij noemt expliciet dat hij is uitgemaakt voor "jood" en "marxist" en wordt beschuldigd van "terreur" en "broedermoord". De vele doorhalingen tonen de worsteling van de auteur om de juiste juridische of diplomatieke toon te vinden. Aanvankelijk lijkt hij aan te sturen op een "strafvervolging" wegens smaad of laster, maar in de uiteindelijke redactie lijkt hij zich te beperken tot een verzoek om te worden ontvangen voor het "geven van inlichtingen". De term "broedermoord" is saillant; dit wijst in de context van de toenmalige arbeidersbeweging vaak op de felle strijd tussen sociaaldemocraten (zoals het NVV) en communisten.
Arnold van Praag was een prominente Joods-socialistische jurist en vakbondsbestuurder. In het gepolariseerde politieke klimaat van de jaren '30 was hij een frequent doelwit van antisemitische aanvallen vanuit nazi-gezinde hoek, maar ook van agressieve polemieken vanuit de uiterst linkse zijde. Dit document illustreert hoe publieke figuren in die tijd persoonlijk werden geviseerd en hoe zij via juridische weg trachtten hun integriteit te beschermen. Het NVV (Nederlands Verbond van Vakverenigingen) was destijds de grootste en meest invloedrijke socialistische vakcentrale van Nederland.