Archiefdocument
Origineel
November 1931. VOORWOORD.
Bij de organisatie der landbouwtelling, die op last van den Minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw tusschen 20 Mei en 20 Juni 1930 in alle gemeenten des lands is gehouden en waarvan de uitvoering in deze gemeente aan mijn Bureau was opgedragen, bleek het mogelijk aan de te verzamelen gegevens, welke op grondgebruik en veestapel betrekking hadden, eenige uitbreiding te geven, nl. met die omtrent arbeidskrachten en gebruik van landbouwwerktuigen, waardoor een meer volledig inzicht in den landbouw, de veeteelt en den tuinbouw van Amsterdam kon worden verworven.
De aldus verkregen gegevens hebben op mijn Bureau een speciale bewerking ondergaan, waardoor thans een duidelijk beeld van den aard, den omvang en de werkwijze van de verschillende hier aanwezige bedrijfstakken is verkregen. Waar deze gemeente met haar 8610 HA. landbouwgrond een vrij belangrijke plaats in de rij der landbouwgebieden inneemt, zal kennis van de resultaten der telling ongetwijfeld niet alleen op zich zelf, maar mede voor vergelijking van het Amsterdamsche met andere gebieden nut kunnen opleveren. Daarom worden die resultaten, in een aantal gevallen met de overeenkomstige van de telling van 1921 vergeleken, in de hier volgende Statistische Mededeeling gepubliceerd. Deze is door den hoofdcommies aan mijn Bureau A. C. VAN PELLECOM bewerkt.
De Directeur van het Bureau van Statistiek,
VAN ZANTEN.
NOVEMBER 1931. Dit document dient als formele inleiding op een statistisch verslag over de agrarische sector binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam aan het begin van de jaren 30. De directeur van het Bureau van Statistiek legt uit dat de landbouwtelling van 1930 uitgebreider was dan voorheen; er werd niet alleen gekeken naar grond en vee, maar ook naar menselijke arbeid en mechanisatie.
Opvallend is de vermelding dat Amsterdam destijds over 8610 hectare landbouwgrond beschikte, wat de aanzienlijke omvang van het toenmalige agrarische buitengebied van de stad onderstreept. De tekst benadrukt de methodologische waarde van het rapport door de gegevens te vergelijken met die van de vorige telling uit 1921, wat wijst op een groeiende behoefte aan vergelijkende tijdreeksen in de overheidsstatistiek. De landbouwtelling van 1930 was een nationaal initiatief, maar de uitvoering en verdiepende analyse werd voor Amsterdam lokaal verzorgd. In deze periode was Amsterdam nog omringd door uitgestrekte polders en agrarische gebieden die in de decennia daarna grotendeels zouden worden bebouwd (denk aan de latere uitbreidingsplannen zoals het AUP).
De publicatie uit november 1931 valt in de vroege jaren van de Grote Depressie, een tijd waarin nauwkeurige economische data cruciaal werden voor de overheid om de effecten van de crisis te monitoren en te sturen. Het document weerspiegelt de professionalisering van de gemeentelijke statistiek als instrument voor beleid en planning in een snel veranderende stedelijke en economische omgeving. C. van Pellecom