Statistische overzichtstabel (waarschijnlijk afkomstig uit een landbouwtelling of sociaal-economisch jaarboek).
Origineel
Statistische overzichtstabel (waarschijnlijk afkomstig uit een landbouwtelling of sociaal-economisch jaarboek). Data refereren aan de jaren 1921 en 1930. [Pagina 46]
46
25. De in voorjaar, zomer en najaar in de onderscheiden grootteklassen werkzame losse arbeiders, naar geslacht en leeftijd 1).
Les ouvriers journaliers, occupés pendant le printemps, l'été et l'automne dans les entreprises de différente étendue, d'après le sexe et l'âge.
| Grootteklasse in H.A. | Akkerbouw-veehouderij (Labourage-élevage) | Akkerbouw-bollenteelt (Labourage-culture de bulbes à fleurs) |
|---|---|---|
| (Kolommen) | a=aantal; o=oppervlakte; Geslacht; Voorjaar; Zomer; Najaar; Aantal werkweken | a=aantal; o=oppervlakte; Geslacht; Voorjaar; Zomer; Najaar; Aantal werkweken |
(Selectie van gegevens uit de tabel:)
* 1—5 H.A.: Akkerbouw-veehouderij: M.H. abs. 1 (voorjaar), 1 (zomer), 1 (najaar). Totaal 40 werkweken.
* 20—30 H.A.: Akkerbouw-veehouderij: M.H. abs. 5 (voorjaar), 12 (zomer). Totaal 122 werkweken.
* Totaal: Akkerbouw-veehouderij: M.H. abs. 10 (voorjaar), 21 (zomer), 9 (najaar). Totaal 328 werkweken.
* Totaal: Akkerbouw-bollenteelt: Totaal abs. 48 (voorjaar), 56 (zomer), 58 (najaar). Totaal 2319 werkweken.
1) Alleen van 21 jaar en daarboven; losse arbeiders beneden dien leeftijd komen niet voor.
[Pagina 47]
47
VI. De land- en tuinbouwbedrijven, door het hoofd als nevenbedrijf uitgeoefend.
Les entreprises agricoles et horticoles, exploitées à titre accessoire.
26. Aantal en oppervlakte der bedrijven in de onderscheiden grootteklassen in elk der bedrijfstakken naar eigen en gepacht land en naar den aard der gronden in vergelijking met 1921.
Nombre et superficie des entreprises de différente étendue, d'après les terres possédées en propre ou prises à ferme et d'après la nature des terres en culture, en comparaison avec le recensement de 1921.
(Indeling van de tabelkolommen per bedrijfstak:)
* Akkerbouw (Labourage)
* Rundveehouderij (Elevage)
* Groenteteelt (Culture maraîchère)
* Gemengd akkerbouw-veehouderij (Labourage-élevage (mixte))
(Gegevens over oppervlakte in H.A. voor 1930 vs 1921):
* Bouwland (Terres arables): 1930: 6.50; 1921: 12.72.
* Blijvend grasland (Prairies perman.): 1930: 10.—; 1921: 10.—.
* Totaal oppervlakte (1930): Akkerbouw 15.—; Rundveehouderij 32.20; Groenteteelt 19.10; Gemengd 13.75.
1) Van ouders gepachte bedrijven komen niet voor.
2) Buiten de bedrijven zonder grond. Deze documenten bieden een gedetailleerd kwantitatief inzicht in de Nederlandse agrarische structuur tijdens het interbellum.
- Arbeidsspecialisatie (Tabel 25): Er is een duidelijk verschil zichtbaar tussen de 'Akkerbouw-veehouderij' en de 'Akkerbouw-bollenteelt'. De bollenteelt is aanzienlijk arbeidsintensiever, wat blijkt uit het veel hogere aantal werkweken (2319 vs 328 in de totaal-categorie) en het grotere aantal losse arbeiders, inclusief vrouwelijke arbeiders (Vr. F.).
- Seizoensinvloeden: De tabel bevestigt de seizoensgebondenheid van het werk; de inzet van arbeiders piekt in de zomer en het najaar, afhankelijk van de bedrijfstak.
- Nevenbedrijven (Tabel 26): Pagina 47 focust op landbouw als nevenactiviteit. Dit duidt op een maatschappij waarin kleinschalige landbouw vaak werd gecombineerd met andere beroepen.
- Vergelijking 1921-1930: De tabel toont verschuivingen in landgebruik en eigendomsverhoudingen (eigen grond versus pacht). Opvallend is de uitsplitsing naar grootteklassen (bijv. "Moins de 1 H.A."), wat de dominantie van zeer kleine percelen bij nevenbedrijven onderstreept. Dit document is hoogstwaarschijnlijk een fragment uit de publicaties van de Landbouwtelling van 1930, uitgevoerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in Nederland. In deze periode was de landbouw de ruggengraat van de Nederlandse economie, maar vond er ook een transitie plaats naar meer gespecialiseerde tuinbouw (zoals de bollenteelt).
De tweetaligheid (Nederlands-Frans) was in die tijd gebruikelijk voor officiële statistische publicaties om internationale vergelijking en verspreiding (bijvoorbeeld via de Volkenbond of internationale landbouwinstituten) mogelijk te maken. De voetnoot over de leeftijd (21 jaar) weerspiegelt de toenmalige wettelijke en statistische definities van volwassenheid en arbeidskracht.