Ambtelijke nota of rapport (getypt).
Origineel
Ambtelijke nota of rapport (getypt). Vermoedelijk geschreven tussen eind 1939 en 1945 (gezien de referentie naar een rapport uit mei 1939 en de zinsnede "na den oorlog"). deze basis worden verhuurd of in erfpacht worden uitgegeven.
Genoemde prijs is aan den hoogen kant, doch voor uitstekend gesitu-
eerde warmoezierstuinen, zooals die hier te verwachten zijn, nog wel aanvaardbaar.
Afgezien van de belangrijke uitgave, welke voor het verkrijgen van
den grond moet worden gedaan en afgezien van de omstandigheid, dat de te ver-
richten werkzaamheden ten aanzien van de bestrijding der werkloosheid van betrekke-
lijk ondergeschikte beteekenis zijn, is het risico een belangrijke hinderpaal voor
de Gemeente om deze zaak door te zetten.
Immers, eenig betrouwbaar gegeven omtrent het tempo van den afzet
der terreinen is niet vast te stellen. Aangenomen is een tijdsduur van 8 jaren;
het kan ~~ook~~ echter ook 20 ~~ja~~ en meer jaren vorderen, eer alle tuinen zijn uitge-
geven.
Bij de verschillende besprekingen, met den voorzitter der Gecombineerde
Tuinbouw Organisaties gevoerd, heeft deze wel betoogd en zelfs aannemelijk gemaakt,
dat zich een groot aantal gegadigden zal aanmelden, doch hij gaf daarbij uitdrukke-
lijk te verstaan, dat deze gegadigden niet kapitaalkrachtig zijn en niet in staat
om gedeeltelijk uit eigen middelen in het benoodigde kapitaal voor het bouwen van
een woning en het inrichten van een warmoezierstuin te voorzien. Zijnerzijds werd
daarom gedacht aan het stichten van een organisatie, welke over krediet en kapitaal
zou beschikken en welke op haar beurt de tuinders aan kapitaal, dat langzamerhand
zou moeten worden afbetaald, zou helpen.
Het ~~eigen~~ belang van mijn dienst is aan dit streven eenigszins tegen-
gesteld. Ik zou het tuinbouwcomplex gaarne tot stand zien komen, om de in onze
gemeente aanwezige tuinders, die vooral ~~door~~ de Westelijke stadsuitbreiding ver-
dreven worden, op te vangen en hun een blijvende plaats te verzekeren. Indien er
goed gelegen grond voor vestiging van deze tuinders kan worden aangeboden, zouden
ook de kosten van onteigening der te vervangen tuingronden geringer worden, hoewel
men daarvan niet te groote verwachtingen moet hebben. Immers, de waarde van den
grond, voor de stadsuitbreiding benoodigd, wordt bij onteigening als ruwe bouw-
grond, dus tamelijk hoog, geschat, waartegenover de ruwe, nog onbewerkte tuingrond,
welken de Gemeente kan aanbieden, waarschijnlijk laag gewaardeerd zal worden.
In een blijvende plaats voor het tuindersbedrijf, in het bijzonder ten
behoeve van de door de stadsuitbreiding te verdrijven tuinders, zie ik echter een
groot belang en mijn aandacht is derhalve in de eerste plaats gericht op de ver-
plaatsing van bestaande warmoezierbedrijven en niet op de oprichting van nieuwe.
Intusschen kunnen beide bedoelingen tot zekere hoogte samengaan.
Aan de zaak zitten verschillende aantrekkelijke kanten, als uitbrei-
ding van het tuindersbedrijf te dezer stede, verruiming van arbeidsgelegenheid, ont-
wikkeling van het gemeentelijk marktwezen en van de Centrale Markt in het bijzonder,
enz. Weliswaar is het in de laatste jaren den tuinders zeer slecht gegaan en bleven
de bedrijven slechts staande dank zij den regeeringssteun, doch na den oorlog is
een opbloei geenszins uitgesloten.
Er is derhalve m.i. alle aanleiding om de zaak in overweging te houden,
niet echter om reeds met de uitvoering te beginnen. De levensvatbaarheid staat
daarvoor niet voldoende vast. Anders wordt het natuurlijk indien de Gemeente finan-
cieelen steun zou kunnen verkrijgen.
Ik merk in dit verband op, dat de Inspecteur voor Noordholland van den
Rijksdienst voor de Werkverruiming voorloopig van het plan kennis heeft genomen en
dit in de Provinciale Commissie van Advies in zake Werkverruiming ter sprake heeft
gebracht. Hij heeft mij echter bericht, dat genoemde commissie geen voldoende
termen aanwezig achtte om voor dit object een belangrijke Provinciale bijdrage in
uitzicht te stellen.
In het hierbij teruggaande schrijven is nog sprake van een laborato-
rium ten behoeven van den tuinbouw. Bedoeld laboratorium zal een onderdeel uit-
maken van een door den Rijkstuinbouwdienst eventueel te stichten proeftuin. Hiervan
deed ik U reeds mededeeling in mijn rapport d.d. 19 Mei 1939 ~~Nex~~ Grb.No.2105.
De Directie van genoemden Rijksdienst overweegt het maken van een
proeftuin in de omgeving van Amsterdam, mits de verschillende tuinbouworganisaties
voldoende in de kosten willen bijdragen en ook de Gemeente zich niet onbetuigd
laat. Bijvoorbeeld zou de Gemeente den benoodigden grond, ter oppervlakte van 1
à 2 ha. kosteloos ter beschikking kunnen stellen. Indien het hier besproken grond-
complex voor warmoezierderijen zou worden ingericht, zou het aangewezen zijn, den
proeftuin te midden daarvan te vestigen. Reeds is voorloopig in overleg met den De tekst beschrijft een dilemma binnen het Amsterdamse gemeentebeleid ten aanzien van stadsplanning en landbouw. Door de geplande "Westelijke stadsuitbreiding" dreigen gevestigde tuinders (warmoeziers) hun grond te verliezen. De auteur adviseert om deze tuinders te herplaatsen in plaats van nieuwe bedrijven te stichten.
Kernpunten:
* Financieel risico: De gemeente twijfelt over de investering omdat de grondverkoop aan tuinders traag kan verlopen (tot 20 jaar).
* Kapitaalgebrek: Tuinders hebben zelf geen geld voor woningen en inrichting, wat vraagt om een kredietorganisatie.
* Werkgelegenheid: Hoewel het project onder de "Werkverruiming" (werkverschaffing) zou kunnen vallen, oordeelt de Provincie vooralsnog dat er onvoldoende gronden zijn voor subsidie.
* Innovatie: Er wordt gesproken over een laboratorium en een proeftuin in samenwerking met de Rijkstuinbouwdienst. Het document geeft een unieke inkijk in de realisatie van het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) van Amsterdam uit 1934. Terwijl de stad naar het westen uitbreidde (de huidige Westelijke Tuinsteden), moesten de eeuwenoude tuinbouwgebieden wijken. De referentie naar "na den oorlog" suggereert dat het document geschreven is tijdens de bezettingsjaren, waarbij men alvast vooruitkeek naar de wederopbouw en de economische opbloei. De "Centrale Markt" verwijst naar de markt in Amsterdam-West (Jan van Galenstraat), die een cruciale rol speelde in de distributie van de lokale tuinbouwproducten.