Archiefdocument
Origineel
4 juli 1940 W. L. M. (waarschijnlijk Willem Lodewijk Moll, Directeur der Centrale Markt) [Marginaal linksboven:]
Verbieden clandestiene
fruitmarkt op Maandag
op het Waterlooplein.
[Rechtsboven:]
A’dam, 4/7 ’40
[Midden boven:]
W. L. M.
Nu bij besluit van B & W d.d. 30 Mei 1940 no. 387 L.M. artikel 5 van het Reglement Centrale Markt in dier voege is gewijzigd, dat ^als^ koopers tot de Centrale Markt ~~uitsluitend~~ ^alleen^ worden toegelaten, personen, die hun waren uitsluitend van de op de Centrale Markt gevestigde verkoopers betrekken, ~~moge besluit, zooals U weet, de strekking heeft om aan het leuren in de stad een einde te maken,~~ moge ik voor het volgende Uw aandacht vragen.
Sedert jaren wordt in de ^zomermaanden^ ~~Juni, Juli, Augustus tot half September~~ op het Waterlooplein des Zondagmorgens een clandestiene markt gehouden, ^waarin zacht fruit (aardbeien, kersen, bessen en pruimen) door grossiers aan venters wordt verkocht.^ De venters, die des Maandags met dit zachte fruit plegen te venten, koopen hier van enkele grossiers, die uit de productie-centra komen, hun waren. Hoewel de op de Centrale Markt gevestigde groothandel hierover wel eens zijn ontevredenheid heeft geuit, heb ik tot nu toe gemeend, gelet op den betrekkelijk geringen omvang van den handel ter plaatse, hiertegen niet te moeten optreden, ~~die reeds jaren bestond en die~~ wijl het een toestand was, die historisch was gegroeid.
Nu staan de zaken echter anders; er worden krasse maatregelen genomen om aan het leuren ^(in Amsterdam)^ [tekst breekt af onderaan de pagina]
[In de linkermarge in rode inkt:]
is dat
waar. Het document is een ambtelijk concept waarin de directeur van de Amsterdamse Centrale Markt een onofficiële handelsactiviteit aanhangig maakt bij het gemeentebestuur. De kern van het betoog is dat een nieuwe wijziging in het marktreglement (per 30 mei 1940) de noodzaak creëert om ook 'clandestiene' markten buiten de officiële Centrale Markt aan te pakken.
De schrijver beschrijft hoe op zondagochtend op het Waterlooplein handel plaatsvindt tussen groothandelaren (grossiers) uit de productiegebieden en straatventers. Deze venters verkopen dit fruit (voornamelijk zomerfruit zoals aardbeien en kersen) vervolgens op maandag op straat. De auteur bekent dat hij dit voorheen heeft gedoogd omdat het kleinschalig was en een historisch gegroeid gebruik betrof. Echter, door de aangescherpte regels tegen straathandel ("het leuren") en de nieuwe regels voor de Centrale Markt, acht hij handhaving nu noodzakelijk.
Een cruciaal element in het document is de kritische kanttekening in de marge: "is dat waar.". Dit duidt op een interne controle waarbij een lezer (mogelijk een wethouder of de burgemeester) de bewering van de directeur over de geringe omvang of de historische rechtvaardiging in twijfel trekt. Dit schrijven dateert van juli 1940, kort na de installatie van het nieuwe bestuur onder toezicht van de Duitse bezetter. De bezettingsjaren kenmerkten zich door een sterke drang naar centralisatie en regulering van de voedselstromen en de economie. Maatregelen tegen 'ongecontroleerde' markten zoals die op het Waterlooplein pasten binnen dit beleid van toegenomen toezicht en de strijd tegen de zwarte handel of informele economie.
De genoemde auteur, W.L. Moll, was een autoriteit op het gebied van markthandel in Amsterdam. Het Waterlooplein was destijds een belangrijk middelpunt van de informele handel, die nauw verweven was met de Joodse buurt van de stad. De inperking van deze handelsvrijheid had in deze specifieke periode een bittere bijsmaak, hoewel het document zelf een puur ambtelijk-zakelijke toon aanslaat.