Archief 745
Inventaris 745-334
Pagina 236
Dossier 2C
Jaar 1940
Stadsarchief

Ambtelijk verslag of adviesnota betreffende marktvergunningen.

Origineel

Ambtelijk verslag of adviesnota betreffende marktvergunningen. (Pagina begint halverwege een zin)

...van de omstandigheid, dat hem destijds door de Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale een erkenning als groothandelaar in gewassen van den tuinbouw is verleend, ~~doorals~~ zoodanig toegang tot de CM te vragen.

[Marginalia links:]
Directie der
I - mede overeenkomstig mijn advies -

Met betrekking tot de erkenning van Lindeman als groothandelaar heb ik ~~eenige dagen geleden~~ inlichtingen ingewonnen bij de Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale. Deze deelde mij mede, dat een ~~aanvrage om erkenning~~ door D.R. Lindeman ingediende aanvrage als groothandelaar ~~in~~ in 1938 door alle instanties: de Centrale, de Commissie van Beroep en den Minister ~~is~~ afgewezen, omdat belangh. aanvrager niet voldoende opleiding in den groothandel had genoten; Lindeman is nl. sedert 1911 kleinhandelaar in groenten en fruit, ~~doch groothandel werd door hem niet gedreven.~~

[Marginalia links:] Zie bladz. 2a

[Horizontale scheidingslijn]

[Symbool vierkantje] Het feit, dat iemand als groothandelaar in gewassen van den tuinbouw is erkend, geeft hem, naar mijn meening, niet zonder meer het recht zich op de Amsterdamsche Centrale Markt als zoodanig te vestigen. Immers art. 1 lid 4 van het Reglement op die markt schrijft alleen voor, dat geen toegang wordt verleend zonder erkenning, doch daaruit mag m.i. niet worden geconcludeerd, dat ~~dan ook~~ met een erkenning de toegang tot de markt moet worden verleend. Integendeel, krachtens art. 3 van het Reglement ben ik gerechtigd, ~~te~~ mits slechts een erkenning is verleend, te beoordeelen, wie als koopers en wie als verkoopers ~~te beschouwen~~.

[Ingevoegd tekstblok onder doorhalingen:]
~~In de -- als verkooper wordt toegelaten, dan beteekent dit~~ dient dit slechts als camouflage om ongehinderd buiten de markt voor de winkelzaken van zijn broers te kunnen blijven koopen. Hij is dan immers een op de CM gevestigde vakkooper, van wien de zaken hier waren bekend en aan de letter van het nieuwe voorschrift is voldaan, althans wanneer hij de goederen eerst pro forma op de markt aanvoert. De tekst is een ambtelijk advies over een geschil rondom markttoegang. De kern van de zaak is de aanvraag van een zekere heer D.R. Lindeman om als groothandelaar te mogen handelen op de Amsterdamse Centrale Markt.

De auteur van het document voert twee belangrijke argumenten aan om Lindeman te weigeren:
1. Historiek: In 1938 werd een soortgelijke aanvraag al tot op het hoogste niveau (de Minister) afgewezen omdat Lindeman geen groothandelsopleiding had en feitelijk al sinds 1911 een kleinhandelaar (winkelier) was.
2. Juridische interpretatie: De auteur stelt dat een algemene 'erkenning' als groothandelaar door de landelijke Centrale niet automatisch recht geeft op een plek op de Amsterdamse markt. Hij beroept zich op de autonomie van het marktreglement (Art. 1 en 3) om zelf te bepalen wie als koper of verkoper wordt toegelaten.

De toon aan het slot is achterdochtig: de auteur vermoedt dat Lindeman de status van groothandelaar slechts wil gebruiken als "camouflage". Hiermee zou hij de regels kunnen omzeilen om direct in te kopen voor de winkels van zijn broers, waarbij de goederen slechts voor de vorm ("pro forma") over de markt gaan. Dit document past in de context van de sterk gereguleerde Nederlandse distributiesector tijdens de crisisjaren '30 en de vroege oorlogsjaren. Instanties zoals de Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale (opgericht in 1933) hadden als doel de markt te ordenen en prijsbederf tegen te gaan. Er werd strikt onderscheid gemaakt tussen de functies van kleinhandelaar en groothandelaar. De "Amsterdamsche Centrale Markt" (nu het Food Center Amsterdam aan de Jan van Galenstraat) was het zenuwcentrum van deze handel. De strijd tegen "oneigenlijke" handel en het omzeilen van de markt (buitenom kopen) was een prioriteit voor de marktmeesters en controleurs in die periode.

Samenvatting

De tekst is een ambtelijk advies over een geschil rondom markttoegang. De kern van de zaak is de aanvraag van een zekere heer D.R. Lindeman om als groothandelaar te mogen handelen op de Amsterdamse Centrale Markt.

De auteur van het document voert twee belangrijke argumenten aan om Lindeman te weigeren:
1. Historiek: In 1938 werd een soortgelijke aanvraag al tot op het hoogste niveau (de Minister) afgewezen omdat Lindeman geen groothandelsopleiding had en feitelijk al sinds 1911 een kleinhandelaar (winkelier) was.
2. Juridische interpretatie: De auteur stelt dat een algemene 'erkenning' als groothandelaar door de landelijke Centrale niet automatisch recht geeft op een plek op de Amsterdamse markt. Hij beroept zich op de autonomie van het marktreglement (Art. 1 en 3) om zelf te bepalen wie als koper of verkoper wordt toegelaten.

De toon aan het slot is achterdochtig: de auteur vermoedt dat Lindeman de status van groothandelaar slechts wil gebruiken als "camouflage". Hiermee zou hij de regels kunnen omzeilen om direct in te kopen voor de winkels van zijn broers, waarbij de goederen slechts voor de vorm ("pro forma") over de markt gaan.

Historische Context

Dit document past in de context van de sterk gereguleerde Nederlandse distributiesector tijdens de crisisjaren '30 en de vroege oorlogsjaren. Instanties zoals de Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale (opgericht in 1933) hadden als doel de markt te ordenen en prijsbederf tegen te gaan. Er werd strikt onderscheid gemaakt tussen de functies van kleinhandelaar en groothandelaar. De "Amsterdamsche Centrale Markt" (nu het Food Center Amsterdam aan de Jan van Galenstraat) was het zenuwcentrum van deze handel. De strijd tegen "oneigenlijke" handel en het omzeilen van de markt (buitenom kopen) was een prioriteit voor de marktmeesters en controleurs in die periode.

Gerelateerde Documenten 6