Archiefdocument
Origineel
27 februari 1940 Concept
M.No. 72/9/211
Overlast venters
met strikjes.
A'dam, 27 Feb. 1940
W.C.M.
Dienvervolge op mijn rapport d.d. 12 December jl. (No. 72/68/4M) heb ik de eer U te berichten, dat ~~op~~ op 23 Februari jl. door twee controleurs van mijn dienst is gecontroleerd op venters met strikjes in de nabijheid der Apollohal, waar een Ford-automobieltentoonstelling werd gehouden. Bij deze controle, die op vorenvermelden datum plaats vond van ± 11 uur v.m. tot 1 uur n.m., van 2 uur n.m. tot 4 uur n.m. en van 7 uur n.m. tot 9 uur n.m. werden ter plaatse in totaal vijf venters met een geldige ventvergunning aangetroffen en één persoon zonder ventvergunning. Tegen den laatste werd verbaliserend opgetreden.
~~Ook~~ de vijf venters met vergunning gedroegen zich echter op hinderlijke en opdringerige wijze tegen het publiek; van eigenlijke venten was weinig of geen sprake; ^gebracht werd^ de strikjes ~~ongevraagd~~ op [in marge:] ^van bezoekers dezer tentoonstell. te spelden^ jassen ~~gespeld~~; soms werd erbij gezegd: "wat U geeft is goed"; het ~~geheel~~ gedrag ~~droeg~~ ^had^ het karakter van bedelarij. ~~Het lag daarom in mijn voornemen dat deze venters vergunningen de het deel overwogen dient te worden.~~ [doorgehaald gedeelte] aan de aan deze venters verleende vergunningen, wegens ~~bede~~ bedelarij, in te trekken. Wellicht vindt U aanleiding hiertoe ook het advies te vragen van den Hoofdcommissaris van Politie en van mijn Ambtgenoot voor Maatschappelijken Steun.
De namen der hier bedoelde venters zijn:
E.J. Akkerman, Zaandijkstraat 16 II, serie L no. 41
J. Bakker, Korenbloemstr 42 II, " 2 " 62
J. Huizinga, Lindenstr 34, " 12 " 32
B.H.E. Voogd-Spekvelt, Haarlemmerdijk 159 bov " 21 " 79
J.Th. Voogd, Haarlemmerdijk 159 bov " 23 " 184. Dit document is een ambtelijk concept-rapport betreffende de handhaving van de Algemeene Politieverordening (APV) in Amsterdam. De kern van de rapportage betreft de grens tussen legale straathandel (venten) en verboden bedelarij.
De tekst is zeer interessant vanwege de vele doorhalingen en tussenvoegingen, wat duidt op een zorgvuldige formulering om juridische gronden te vinden voor het intrekken van reeds verleende vergunningen. De ambtenaar stelt dat hoewel de personen formeel een vergunning hebben, hun handelen (het ongevraagd opspelden van strikjes en vragen om een vrije gift) in feite neerkomt op bedelarij. De suggestie om de afdeling "Maatschappelijken Steun" te consulteren, wijst erop dat de betreffende venters waarschijnlijk werklozen waren die via de steunverlening bekend waren bij de gemeente en probeerden hun inkomen aan te vullen. Het document dateert van februari 1940, slechts enkele maanden voor de Duitse inval. In deze periode was de Apollohal in Amsterdam-Zuid een prominente plek voor grootschalige evenementen, zoals de in de tekst genoemde Ford-tentoonstelling.
In de late jaren '30 en begin 1940 was er nog steeds sprake van grote economische moeite voor de onderklasse. "Strikjesverkoop" was een bekend fenomeen waarbij men voor een symbolisch item een beroep deed op de vrijgevigheid van passanten. Voor de autoriteiten was dit een doorn in het oog; zij zagen het als een aantasting van de openbare orde en een vorm van "opdringerigheid" waarvoor het publiek beschermd moest worden. De lijst met namen en adressen aan de onderzijde van het document toont aan hoe nauwgezet deze personen door de gemeentelijke diensten werden geregistreerd en gevolgd.