Archief 745
Inventaris 745-337
Pagina 158
Dossier 82
Jaar 1940
Stadsarchief

Afschrift van een officiële brief

12 november 1940 Van: De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen (getekend door F. van Meurs) Aan: Den Heer Hoofdcommissaris van Politie te Amsterdam

Origineel

Afschrift van een officiële brief 12 november 1940 De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen (getekend door F. van Meurs) Den Heer Hoofdcommissaris van Politie te Amsterdam GEMEENTE AMSTERDAM

$Dm^{(1)}$ [handgeschreven]

Afd. L.M.
No. 68/70 -1940-

Amsterdam, 12 [handgeschreven] November 1940.

Afschrift

Nº 72/92/4 M. 1940 13/11 [paars stempel met handgeschreven invulling]

Onder toezending van een tweetal afschrif-
ten van de beschikking van Burgemeester en Wet-
houders van 12 November 1940, waarbij de vent-
vergunning Serie 2 No.147 ten name van Jacob
Biet, wonende Zandstraat 28 II, wordt ingetrokken,
deel ik U mede het op prijs te zullen stellen, in-
dien het ventboekje door Uw zorg zou worden inge-
houden en aan mijn afdeeling teruggezonden.

S.
ay [handgeschreven]
De Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch-
en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen,

get. F. van Meurs [handgeschreven handtekening]

den Heer Hoofdcommissaris
van Politie. Dit document is een ambtelijk afschrift van een mededeling van het Amsterdamse gemeentebestuur aan de plaatselijke politie. De kern van de boodschap is de intrekking van de ventvergunning van een individu genaamd Jacob Biet. De politie krijgt de expliciete opdracht om het bijbehorende 'ventboekje' (het bewijs van de vergunning) in te vorderen en terug te sturen naar de afdeling Levensmiddelen.

Het document vertoont de typische kenmerken van de bureaucratische afwikkeling in die tijd: een combinatie van getypte standaardteksten, handgeschreven data en parafen, en stempels voor de administratieve verwerking (het dossiernummer van de politie in paarse inkt). De ondertekenaar, F. van Meurs, was een hooggeplaatste ambtenaar/wethouder binnen de gemeente Amsterdam. Het document dateert van 12 november 1940, exact zes maanden na de Duitse inval in Nederland. De inhoud moet worden begrepen binnen de context van de vroege bezettingsjaren en de toenemende restricties voor de Joodse bevolking.

Jacob Biet woonde in de Zandstraat, een straat in de oude Joodse buurt van Amsterdam. Hoewel de brief geen expliciete reden geeft voor de intrekking, was het stelselmatig intrekken van vergunningen van Joodse ondernemers en straatverkopers een van de eerste methoden van de bezetter en collaborerende instanties om Joden economisch te isoleren en hun middelen van bestaan te ontnemen. Uit historisch onderzoek (o.a. Joods Monument) blijkt dat Jacob Biet inderdaad Joods was; hij werd in 1943 in Sobibor vermoord. Dit schijnbaar banale administratieve document is daarmee een tastbaar bewijs van de bureaucratische voorbereiding op de uitsluiting en uiteindelijke deportatie van de Joodse Amsterdammers.

Samenvatting

Dit document is een ambtelijk afschrift van een mededeling van het Amsterdamse gemeentebestuur aan de plaatselijke politie. De kern van de boodschap is de intrekking van de ventvergunning van een individu genaamd Jacob Biet. De politie krijgt de expliciete opdracht om het bijbehorende 'ventboekje' (het bewijs van de vergunning) in te vorderen en terug te sturen naar de afdeling Levensmiddelen.

Het document vertoont de typische kenmerken van de bureaucratische afwikkeling in die tijd: een combinatie van getypte standaardteksten, handgeschreven data en parafen, en stempels voor de administratieve verwerking (het dossiernummer van de politie in paarse inkt). De ondertekenaar, F. van Meurs, was een hooggeplaatste ambtenaar/wethouder binnen de gemeente Amsterdam.

Historische Context

Het document dateert van 12 november 1940, exact zes maanden na de Duitse inval in Nederland. De inhoud moet worden begrepen binnen de context van de vroege bezettingsjaren en de toenemende restricties voor de Joodse bevolking.

Jacob Biet woonde in de Zandstraat, een straat in de oude Joodse buurt van Amsterdam. Hoewel de brief geen expliciete reden geeft voor de intrekking, was het stelselmatig intrekken van vergunningen van Joodse ondernemers en straatverkopers een van de eerste methoden van de bezetter en collaborerende instanties om Joden economisch te isoleren en hun middelen van bestaan te ontnemen. Uit historisch onderzoek (o.a. Joods Monument) blijkt dat Jacob Biet inderdaad Joods was; hij werd in 1943 in Sobibor vermoord. Dit schijnbaar banale administratieve document is daarmee een tastbaar bewijs van de bureaucratische voorbereiding op de uitsluiting en uiteindelijke deportatie van de Joodse Amsterdammers.

Kooplieden in dit dossier 2

Bur.v.Maatsch.Steun Waterlooplein 751
P. Werken Waterlooplein 697

Gerelateerde Documenten 4