Archief 745
Inventaris 745-337
Pagina 173
Dossier 100
Jaar 1940
Stadsarchief

Getypte brief (doorslag/archiefkopie).

19 december 1940. Van: De Directeur (vermoedelijk van een gemeentelijke dienst, zoals de Dienst voor het Marktwezen). Aan: Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam.

Origineel

Getypte brief (doorslag/archiefkopie). 19 december 1940. De Directeur (vermoedelijk van een gemeentelijke dienst, zoals de Dienst voor het Marktwezen). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam. [Handgeschreven rechtsboven:]
M. de Boer
Verzonden 13/12

[Getypt linksboven:]
72/97/2 M.
n 2

[Getypt midden boven:]
D/HG.

[Getypt rechtsboven:]
19 December 1940.

[Getypt links:]
Klacht over J.Kluit.

[Getypt rechtsonder de datum:]
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .

Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 25 November jl. om advies ontvangen stuk no.1042 L.M.1940 heb ik de eer U te berichten, dat bij een dezerzijds ingesteld onderzoek het volgende is gebleken.

In perceel Buiksloterdijk 132 is gevestigd een rijwielzaak van J.Kluit, geboren 29 Januari 1903, woonadres Beyer-landstraat 9 huis. In eerstgenoemd perceel wordt tevens een opkoopersbedrijf van gebruikte goederen en gedragen kleeding uitgeoefend. Kluit is in het bezit van een opkoopersregister, als bedoeld in artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Kluit onder-gaat momenteel gevangenisstraf in verband met diefstal van distributiebescheiden; de zaak wordt waargenomen door D.R. Eylers, wonende Korenbloemstraat 57 huis, alhier; deze handelt voor rekening en verantwoording van Kluit; dit is krachtens artikel 437 bis Wetboek van Strafrecht onder 4e geoorloofd. Uit het register bleek evenwel, dat het tot het tijdstip van insluiting van Kluit zeer onregelmatig was bijgehouden; daarna zijn de inkoopen er regelmatig in geboekt. Overigens is voor het uitoefenen van het opkoopersbedrijf in huizen geen vergun-ning van Burgemeester en Wethouders noodig. Het is niet geble-ken, dat Kluit het beroep van opkooper op den openbaren weg uitoefent.

In perceel Verversstraat 32 drijven vader en zoon Mou-ritz een lompensorteerderij; zij koopen daar tevens lompen en dergelijke op. Mouritz Sr. is in het bezit van opkoopersvergun-ning serie 28 no.34 voor de wijken Noord en Centrum; Mouritz Jr. is in het bezit van opkoopersvergunning serie 18 no.31, eveneens voor de wijken Noord en Centrum.

Tenslotte bericht ik U nog, dat bij het onderzoek is gebleken, dat de schrijver van den onderhavigen brief is: P.Barbieri, wonende Iatherusstraat 48 hs, Amsterdam-Noord.

Ik geef U beleefd in overweging deze aangelegenheid eveneens onder de aandacht te brengen van den Hoofdcommissaris van Politie.

De Directeur, * Kernboodschap: De brief is een antwoord op een verzoek van de wethouder om een klacht (ingediend door P. Barbieri) tegen J. Kluit te onderzoeken. De conclusie is dat Kluit weliswaar zijn administratie voorheen niet op orde had, maar dat zijn huidige bedrijfsvoering (door een waarnemer) binnen de wet valt.
* Juridische aspecten: Er wordt expliciet verwezen naar Artikel 437 en 437 bis van het Wetboek van Strafrecht. Deze artikelen verplichten handelaren in tweedehands goederen een register bij te houden om heling te voorkomen.
* Opmerkelijke details: De eigenaar van de zaak, J. Kluit, zit op het moment van schrijven een gevangenisstraf uit voor de diefstal van distributiebescheiden. Dit was in 1940 een zeer ernstig delict vanwege de oorlogsschaarste.
* Identificatie: De voorheen anonieme of onduidelijke klager wordt geïdentificeerd als P. Barbieri uit Amsterdam-Noord. * Tijdperk: De brief stamt uit december 1940, het eerste jaar van de Duitse bezetting van Nederland. De schaarste nam toe en het distributiestelsel werd streng gehandhaafd.
* Economische situatie: De handel in tweedehands goederen en oude kleding (lompen) was essentieel in een tijd waarin nieuwe grondstoffen schaars werden. De overheid hield hierop streng toezicht om illegale handel en diefstal (met name van distributiebonnen) de kop in te drukken.
* Lokaal bestuur: De brief illustreert de nauwe samenwerking tussen de verschillende takken van het gemeentebestuur (Wethouder voor de Levensmiddelen) en de politie (Hoofdcommissaris) in de handhaving van economische verordeningen.

Samenvatting

  • Kernboodschap: De brief is een antwoord op een verzoek van de wethouder om een klacht (ingediend door P. Barbieri) tegen J. Kluit te onderzoeken. De conclusie is dat Kluit weliswaar zijn administratie voorheen niet op orde had, maar dat zijn huidige bedrijfsvoering (door een waarnemer) binnen de wet valt.
  • Juridische aspecten: Er wordt expliciet verwezen naar Artikel 437 en 437 bis van het Wetboek van Strafrecht. Deze artikelen verplichten handelaren in tweedehands goederen een register bij te houden om heling te voorkomen.
  • Opmerkelijke details: De eigenaar van de zaak, J. Kluit, zit op het moment van schrijven een gevangenisstraf uit voor de diefstal van distributiebescheiden. Dit was in 1940 een zeer ernstig delict vanwege de oorlogsschaarste.
  • Identificatie: De voorheen anonieme of onduidelijke klager wordt geïdentificeerd als P. Barbieri uit Amsterdam-Noord.

Historische Context

  • Tijdperk: De brief stamt uit december 1940, het eerste jaar van de Duitse bezetting van Nederland. De schaarste nam toe en het distributiestelsel werd streng gehandhaafd.
  • Economische situatie: De handel in tweedehands goederen en oude kleding (lompen) was essentieel in een tijd waarin nieuwe grondstoffen schaars werden. De overheid hield hierop streng toezicht om illegale handel en diefstal (met name van distributiebonnen) de kop in te drukken.
  • Lokaal bestuur: De brief illustreert de nauwe samenwerking tussen de verschillende takken van het gemeentebestuur (Wethouder voor de Levensmiddelen) en de politie (Hoofdcommissaris) in de handhaving van economische verordeningen.

Kooplieden in dit dossier 2

Bur.v.Maatsch.Steun Waterlooplein 751
P. Werken Waterlooplein 697

Gerelateerde Documenten 4