Archief 745
Inventaris 745-338
Pagina 118
Dossier 29
Jaar 1940
Stadsarchief

Pagina uit een ambtelijk rapport of brief (pagina 2).

6 december 1936.

Origineel

Pagina uit een ambtelijk rapport of brief (pagina 2). 6 december 1936. --2--

verkoop, doch de waren welke verkocht worden zyn van den koopman, die op deze wyze een marktplaats heeft bekomen. Ook deze koopman staat veelal bij den Dienst van het Marktwezen ingeschreven als assistent van den plaatshouder. Indien by het onderzoek dat in verband met de aanvrage om assistentie plaats vindt blykt, dat het in de bedoeling van den plaatshouder ligt zyn plaats te verkoopen, wordt het verzoek vanzelfsprekend afgewezen. In de meeste gevallen kan dit echter niet worden aangetoond en wordt het verzoek ingewilligd. Wat den een wordt toegestaan kan den ander moeilyk worden geweigerd, met het gevolg dat het aantal assistenten en daarmede het aantal kooplieden dat niet langer zelfstandig een plaats op de markt inneemt, hoe langer hoe grooter wordt.

De vraag is m.i. nu, moet met het oog op de slechte tyden het toestaan van compagnonschappen of z.g.n. compagnonschappen onder het mom van assistentie worden toegestaan of moet daarmede worden gebroken en uitsluitend toestemming worden verleend tot assistentie in de bij A. aangegeven gevallen.

Ik meen dat het ter voorkoming van voortdurende klachten, gewenscht is, dat ten aanzien daarvan in overleg met de marktcommissie een afdoende regeling wordt getroffen.

Indien mocht worden besloten, dat uitsluitend in de bij A. genoemde gevallen assistentie mag worden toegestaan, dan zullen de thans toegestane compagnonschappen moeten worden ingetrokken met het gevolg dat een aantal kooplieden in den steun zullen moeten worden opgenomen. De koopman zal zich dan uitsluitend kunnen laten bystaan door huisgenooten of door by hem in loondienst werkzaam zynd personeel. Ten bewyze dat een bepaald persoon by een koopman in loondienst is, zou overlegging van een rentekaart kunnen (moeten) worden geëischt.

Ik heb gemeend, deze zaak zeer scherp te moeten stellen, daar m.i. halve maatregelen of schipperen in deze het vraagstuk niet oplossen en klachten zullen blyven inkomen.
By de oplossing van dit vraagstuk, moeten m.i. de z.g.n. "gezamenlyke handels" op de markt Waterlooplein, vooralsnog buiten beschouwing worden gehouden.

Amsterdam, 6 December 1936.

w.g. A.H. de Haer
Inspecteur. In dit document rapporteert inspecteur De Haer over misstanden op de Amsterdamse markten. Het kernprobleem is dat officiële standplaatshouders hun plek feitelijk "verkopen" aan anderen door die personen als "assistent" aan te melden bij de Dienst van het Marktwezen. Hierdoor ontstaat een wildgroei aan onofficiële compagnonschappen die het vergunningenstelsel uithollen.

De inspecteur stelt een scherpe keuze voor: ofwel men accepteert deze praktijk vanwege de economische crisis, ofwel men voert een strikt beleid in waarbij assistentie alleen is toegestaan voor gezinsleden of personeel in loondienst. Om fraude te voorkomen, stelt hij voor dat de assistent een "rentekaart" (bewijs van sociale premieafdracht) moet kunnen overleggen. Hij waarschuwt dat strenger handhaven ertoe zal leiden dat veel kleine kooplieden hun inkomen verliezen en afhankelijk worden van de "steun" (sociale uitkering).

Opvallend is de expliciete uitzondering voor het Waterlooplein aan het eind van het document. Dit suggereert dat de situatie op deze specifieke markt (historisch gezien een belangrijke plek voor de Joodse handel in Amsterdam) complexer was of onder een ander regime viel. Het document dateert uit december 1936, een periode waarin Nederland nog midden in de Grote Depressie zat. De "slechte tyden" waar de inspecteur naar verwijst, uitten zich in hoge werkloosheid en bittere armoede, vooral in de volksbuurten van Amsterdam. De markt was voor velen een laatste strohalm om buiten de overheidssteun te blijven.

De "Dienst van het Marktwezen" probeerde in deze jaren de handel te reguleren en de vaak chaotische markten te ordenen. De genoemde "rentekaart" was in die tijd het bewijs dat iemand officieel als werknemer geregistreerd stond onder de Invaliditeitswet; het was een cruciaal controlemiddel voor de overheid om de aard van arbeidsrelaties vast te stellen. De discussie over "compagnonschappen" versus "assistentie" toont de spanning aan tussen de rigide bureaucratie en de creatieve overlevingsstrategieën van de Amsterdamse marktkooplui in de jaren '30.

Samenvatting

In dit document rapporteert inspecteur De Haer over misstanden op de Amsterdamse markten. Het kernprobleem is dat officiële standplaatshouders hun plek feitelijk "verkopen" aan anderen door die personen als "assistent" aan te melden bij de Dienst van het Marktwezen. Hierdoor ontstaat een wildgroei aan onofficiële compagnonschappen die het vergunningenstelsel uithollen.

De inspecteur stelt een scherpe keuze voor: ofwel men accepteert deze praktijk vanwege de economische crisis, ofwel men voert een strikt beleid in waarbij assistentie alleen is toegestaan voor gezinsleden of personeel in loondienst. Om fraude te voorkomen, stelt hij voor dat de assistent een "rentekaart" (bewijs van sociale premieafdracht) moet kunnen overleggen. Hij waarschuwt dat strenger handhaven ertoe zal leiden dat veel kleine kooplieden hun inkomen verliezen en afhankelijk worden van de "steun" (sociale uitkering).

Opvallend is de expliciete uitzondering voor het Waterlooplein aan het eind van het document. Dit suggereert dat de situatie op deze specifieke markt (historisch gezien een belangrijke plek voor de Joodse handel in Amsterdam) complexer was of onder een ander regime viel.

Historische Context

Het document dateert uit december 1936, een periode waarin Nederland nog midden in de Grote Depressie zat. De "slechte tyden" waar de inspecteur naar verwijst, uitten zich in hoge werkloosheid en bittere armoede, vooral in de volksbuurten van Amsterdam. De markt was voor velen een laatste strohalm om buiten de overheidssteun te blijven.

De "Dienst van het Marktwezen" probeerde in deze jaren de handel te reguleren en de vaak chaotische markten te ordenen. De genoemde "rentekaart" was in die tijd het bewijs dat iemand officieel als werknemer geregistreerd stond onder de Invaliditeitswet; het was een cruciaal controlemiddel voor de overheid om de aard van arbeidsrelaties vast te stellen. De discussie over "compagnonschappen" versus "assistentie" toont de spanning aan tussen de rigide bureaucratie en de creatieve overlevingsstrategieën van de Amsterdamse marktkooplui in de jaren '30.

Locaties

Amsterdam.

Gerelateerde Documenten 5