Doorslag van een ambtelijke brief/memorandum.
Origineel
Doorslag van een ambtelijke brief/memorandum. 22 augustus 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten of een gerelateerde Amsterdamse gemeentelijke dienst). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Amsterdam ("Alhier"). [Handgeschreven aantekening rechtsboven:]
mr. M. Müller
mr. Th. de Raad (vermoedelijk)
[Handgeschreven aantekening middenboven:]
Verzonden 22/8/40
[Getypt rechtsboven:]
VP/HG.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
85/37/5 M.
22 Augustus 1940.
Intrekking vergunning tot
het plaatsen van kramen
ten name van L.M.Geerling.
Ten vervolge op mijn rapport d.d. 9 Augustus jl. (No.85/37/4 M.) heb ik de eer U te berichten, dat de andere kramenzetters van de markt Albert Cuypstraat ten behoeve van Geerling het door hem verschuldigde kramengeld hebben betaald en tevens hebben beloofd, dat zij zullen zorgdragen, dat Geerling voortaan beter aan zijn verplichtingen zal voldoen. Aangezien Geerling door het in mijn bovenaangehaald rapport gedane voorstel tot intrekking van de hem verleende vergunning zeer zwaar zal worden getroffen, heb ik de eer U, in verband met het vorenstaande, beleefd in overweging te geven het bedoelde voorstel als niet gedaan te beschouwen.
De Directeur, Deze brief vormt een herziening van een eerder ingediend voorstel. De directeur van de betreffende dienst verzoekt de Wethouder voor de Levensmiddelen om de marktvergunning van de heer L.M. Geerling behouden te laten. In een rapport van twee weken eerder (9 augustus 1940) was nog geadviseerd de vergunning in te trekken, waarschijnlijk vanwege een achterstand in de betaling van het "kramengeld" (stageld).
De kern van de brief is de getoonde solidariteit op de markt: de andere kramenzetters van de Albert Cuypstraat hebben gezamenlijk de schuld van Geerling voldaan en zich garant gesteld voor zijn toekomstige betalingen. De directeur erkent dat het definitief intrekken van de vergunning een te zware sanctie zou zijn voor de betrokkene en trekt daarom zijn eerdere negatieve advies in. Het document dateert van augustus 1940, slechts enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De Albert Cuypmarkt was (en is) de belangrijkste dagmarkt van Amsterdam. De economische omstandigheden waren in deze periode onzeker; de invoering van distributie en schaarste begon de handel te beïnvloeden.
De functie "Wethouder voor de Levensmiddelen" was in oorlogstijd van cruciaal belang voor de voedselvoorziening in de stad. De brief toont de menselijke maat binnen de bureaucratie van die tijd: ondanks de strikte regels rondom vergunningen en betalingen, bood de collectieve actie van collega-marktkooplieden een uitweg om te voorkomen dat iemand zijn bron van inkomsten verloor.