Getypte brief (doorslag of officieel afschrift).
Origineel
Getypte brief (doorslag of officieel afschrift). 6 februari 1934. De Directeur van het Marktwezen (waarnemend), Gemeente Amsterdam. 221
L/B
6 Februari 1934.
Onderwerp: Automarkt.
verzonden 6/2 '34 Aan den Heer Secretaris der
[Paraaf] Kamer van Kooph. en Fabrieken,
A M S T E R D A M.
Naar aanleiding van Uw missive d.d. 31 Januari j.l.
S. 664 bericht ik U, dat ik mij volkomen kan vereenigen
met de door U uiteengezette meening dergenen, die de wen-
schelijkheid van toezicht op de op automarkten aangeboden
voertuigen bestrijden. Een behoorlijk toezicht zou, op een
eenigszins belangrijke automarkt, zeer uitgebreide en kost-
bare maatregelen vereischen, waarvan de consequenties niet
zijn te overzien in verband met de verantwoordelijkheid
tegenover koopers.
Daar e n toezicht als hier bedoeld op de Amsterdam-
sche automarkt niet bestaat, kan ik U uiteraard geen mede-
deeling doen van ervaringen, die daarmede zouden zijn ver-
kregen.
Ik kan hier nog aan toevoegen, dat de Gemeente op
geen harere markten toezicht uitoefent op de qualiteit der
aldaar verhandelde artikelen, behalve voor zoover de
Keuringsdienst van Waren dit doet, om redenen van volksge-
zondheid, zoowel op de markten als elders in de stad.
De Directeur van het Marktwezen,
wnd. In deze brief reageert de waarnemend Directeur van het Amsterdamse Marktwezen op een schrijven van de Kamer van Koophandel. De kern van de correspondentie betreft de vraag of er toezicht moet worden gehouden op de technische staat of kwaliteit van voertuigen die op de automarkt worden aangeboden.
De directeur spreekt zich duidelijk uit tegen dergelijk toezicht. Hij voert hiervoor drie hoofdredenen aan:
1. Kosten en complexiteit: Het zou "zeer uitgebreide en kostbare maatregelen" vergen om een effectief controlesysteem op te zetten.
2. Aansprakelijkheid: De overheid vreest dat zij door keuringen verantwoordelijk gehouden kan worden door kopers als een voertuig later toch gebreken vertoont.
3. Consistentie van beleid: De gemeente Amsterdam controleert op geen enkele markt de kwaliteit van goederen, tenzij het gaat om de volksgezondheid (voedselveiligheid via de Keuringsdienst van Waren). De automarkt wordt dus gelijkgesteld aan andere goederenmarkten. De brief dateert uit 1934, midden in de crisisjaren. De automobiel was in deze periode bezig aan een opmars, waardoor ook de handel in tweedehands voertuigen groeide. Dit bracht discussies teweeg over consumentenbescherming en de rol van de overheid daarin.
Uit de brief blijkt een klassiek liberale houding van de overheid in die tijd: de koper heeft een eigen onderzoeksplicht (caveat emptor) en de gemeente beperkt haar markttoezicht strikt tot zaken van openbare orde en volksgezondheid. De weigering om verantwoordelijkheid te nemen voor de technische staat van verhandelde goederen is kenmerkend voor de bestuurlijke voorzichtigheid van die periode, waarbij men wilde voorkomen dat de overheid als een soort 'garantie-instituut' voor private transacties zou gaan fungeren.