Archiefdocument
Origineel
Onbekend, maar de spelling (vóór 1947) en de context van straathandel-regulering wijzen op het eerste kwartaal van de 20e eeuw. 5
dit schriftelyk door B.& W. te~doen bevestigen.
De Voorzitter zegt, dat de heer Stienstra dus een schriftelyk bericht van
B.& W. wenscht te ontvangen, dat wanneer het bedryf niet
meer kan worden uitgeoefend door gebrek aan venters of door
de wykindeeling, deze moeilykheden door ingrypen van over-
heidswege zullen worden opgeheven.
Het bezwaar tegen de persoonlyke vergunningen zal hierdoor
dan dus zyn vervallen.
De heer Stienstra merkt op, dat de Commissie het principe huldigt, dat
persoonlyke vergunningen moeten worden gegeven. Dit wordt
als een sociaal recht van den venter beschouwd. Hy kan ech-
ter die meening niet deelen. Is er nu echter geen mogelykheid
dat den bestaanden bedryven wordt toegestaan, zoowel venters
met als zonder vergunning in dienst te nemen? De practyk
zal dan leeren, dat meest met venters met vergunning ge-
werkt wordt.
De Voorzitter bestrydt de opmerking van den heer Stienstra, als zou de
Ventverordening alleen de sociale positie van den venter
regelen. De Ventverordening beoogt inkrimping van het aan-
tal venters o.a. met het oog op het verkeer. De ondernemin-
gen wenschen echter te beginnen met een recht van uitbrei-
ding.
Voorbeeld. Men neemt 100 venters met vergunning en 50
zonder. Dit is dus reeds een uitbreiding van het venters-
corps met 50 venters. Nu zouden er 50 met vergunning ont-
slagen kunnen worden en 50 zonder vergunning nieuw aange-
nomen. Dit is dus weer uitbreiding.
De groot~ste moeilykheid bestaat echter hierin, dat, wan~
neer er venters zonder vergunning zullen worden ontslagen,
deze een vergunning zullen wenschen om hun brood te kunnen
blyven verdienen. Men zal dan moreel verplicht zyn aan dezen
wensch te voldoen, zoodat dan aan alle kanten uitbreiding
zal volgen.
De heer Stienstra bestrydt de opvatting als zou men moreel verplicht zyn
den venter zonder vergunning, by ontslag uit loondienst,
vergunning te geven. Deze menschen weten dit reeds als ze
in dienst treden, dus deze illusie behoeven ze niet te~
hebben. De ondernemingen zien er echter wel een groot ge-
vaar in, dat de venters met vergunning in een sterke posi-
tie tegenover hen komen te staan en de werkgevers zullen
nooit kunnen tolereeren, dat de werknemers de macht in han-
den zullen krygen.
De Voorzitter vindt het de beste oplossing, dat alleen venters met ver-
gunning worden genomen en B.& W. te adviseeren den onderne-
mers te bevestigen, dat ingeval van moeilykheden, facili-
teiten zullen worden verleend.
De heer Stienstra heeft hiertegen persoonlyk geen bezwaar meer, terwyl
ook de andere heeren hiermede accoord gaan.
Besloten wordt accoord te gaan met het verleenen van per-
soonlyke vergunningen, indien van B.& W. een bevredigend ant-
woord inzake faciliteiten by moeilykheden wordt verkregen.
De heer Neeter merkt nog op, dat dit dus alleen zal gelden voor de bestaan-
de bedryven, die onder den oudentoestand zyn gegroeid.
De heer Stienstra bevestigt dit. Wanneer e.v. nieuwe bedryven zullen worden
opgericht, zullen deze zich aan de consequenties van de Vent-
verordening moeten houden.
De heer Neeter wyst er op, dat dit het aanzien van een monopolie krygt. * Taalgebruik: Het document is opgesteld in de zogenoemde 'Spelling-Marchant' (vóór de hervorming van 1947), gekenmerkt door woorden als moeilykheden, practyk, bedryf en de verbuiging den venter. Opvallend zijn de tilde-tekens (~), die door de typist waarschijnlijk werden gebruikt als vulteken of om woorden optisch te verbinden (bijv. te~doen, wan~neer).
* Kern van de discussie: Het document weerspiegelt een debat over regulering versus ondernemersvrijheid. De Voorzitter wil de straathandel inperken via de Ventverordening (onder meer voor de verkeersveiligheid). De heer Stienstra vreest echter dat de verplichte persoonlijke vergunningen de macht van de werknemer (de venter) te groot maken ten opzichte van de werkgever.
* Compromis: Er wordt besloten dat alleen venters met een vergunning worden aangenomen, mits de gemeente (B.& W.) ondersteuning (faciliteiten) biedt bij problemen. Dit geldt alleen voor reeds bestaande bedrijven.
* Monopolievorming: De heer Neeter merkt scherp op dat deze regeling, waarbij nieuwe bedrijven zich aan strengere regels moeten houden dan bestaande, in feite een monopoliepositie creëert voor de zittende ondernemingen. Dit document past in de vroege 20e-eeuwse transitie van informele straathandel naar gereguleerde economische activiteit. In veel Nederlandse steden zorgde de explosieve groei van het aantal venters voor overlast en concurrentiestrijd. Gemeenten probeerden dit te beheersen met een 'Ventverordening'.
De discussie over "persoonlijke vergunningen" is cruciaal: een vergunning op naam van de venter gaf de arbeider een zekere onafhankelijkheid, omdat hij niet langer volledig afhankelijk was van zijn werkgever om zijn beroep uit te mogen oefenen. De werkgevers, vertegenwoordigd door figuren als Stienstra, zagen dit als een bedreiging voor de arbeidsverhoudingen en hun controle over het personeel. De tekst biedt hiermee een inkijkje in de vroege sociale strijd tussen werkgeversbelangen, werknemersrechten en stedelijke ordening.