Archief 745
Inventaris 745-347
Pagina 120
Dossier 37
Jaar 1941
Stadsarchief

Getypte notulen/verslag van een vergadering.

Origineel

Getypte notulen/verslag van een vergadering. 6

De Voorzitter wenscht hieromtrent de discussie te staken.
De heer Seegers vraagt hoe tot nu toe nieuw personeel werd beoordeeld.
De heer Stienstra antwoordt, dat routine in den straatverkoop een groote factor was.
De Voorzitter zegt, dat de heer Seegers hiermede dus wil aantoonen, dat, bij de inwerkingtreding der Verordening, van een ruime keus (7 à 8.000) kan worden gesproken.
De heeren ijsfabrikanten verlaten hierna onder dankzegging de vergadering.

(Het lid Presser komt ter vergadering).
De Voorzitter zet den heer Presser uiteen, dat den ijsbereiders faciliteiten zijn toegezegd, wanneer dit noodig mocht blijken.

Hij stelt aan de orde een brief van den Wethouder voor de Levensmiddelen, omtrent 1o. aanvragen van lompenventvergunningen of 2o. aanvragen van vergunningen voor standplaatsen buiten de markt, n.l. of deze voor de inwerkingtreding der Ventverordening nog moeten worden verleend.
Deze brief is alsnog aan de agenda toegevoegd. In de vorige vergadering bij de rondvraag is hierover reeds gesproken; hij brengt het eerste gedeelte van den brief in discussie.
De heer Presser deelt mede, dat het hier de bewuste bedelaars van kranten etc. aan huizen betreft. Deze kunnen niet als officiëele lompenventers worden beschouwd en hij stelt dan ook voor te adviseeren aan deze menschen geen vergunning uit te reiken.
De Voorzitter vraagt of op dit oogenblik nog vergunningen voor bona fide lompenventers in behandeling kunnen zijn.
De heer Presser beantwoordt dit ontkennend; het zou ook onmogelijk zijn, gezien den buitengewoon slechten toestand in het bedrijf. De bona fide lompenventers hebben sinds 1920 alle vergunning. Het lijkt hem ongewenscht dit aantal uit te breiden.
De Voorzitter kan er niet mede accoord gaan dit den Wethouder te adviseeren. Er kunnen bij de aanvragers voor een lompenvergunning nog wel bona fide lompenventers zijn.
De heer Presser bestrijdt dit en wijst er nogmaals op, dat sinds 1920 alle lompenventers vergunning moeten hebben. Het is dus thans vrijwel onmogelijk, dat er nog zonder vergunning zijn.
De heer Neeter maant tot voorzichtigheid aan en in geen geval zonder meer te adviseeren geen vergunningen te verstrekken. Het is bijv. zeer goed mogelijk, dat een venter met een ander artikel in den lompenhandel wenscht over te gaan en het lijkt hem niet gewenscht deze vergunning te weigeren. Het is daarom wellicht gewenscht op de hoogte te worden gesteld van de namen der aanvragers.
De Voorzitter stelt dan voor, den Wethouder te adviseeren, dat, aangezien volgens mededeeling van den heer Presser, de lompenventers reeds in het bezit van een vergunning moeten zijn en het zeer onwaarschijnlijk is, dat er nog bona fide lompenventers zonder vergunning zullen venten, niet over te gaan tot het verstrekken van deze vergunningen, tenzij door den betreffenden aanvrager kan worden aangetoond, dat hij reeds "venter" is. Hiermede wordt dus bedoeld, dat aan lompenventers geen vergunning meer zal worden verleend, doch alleen aan venters uit een andere branche, die in lompen willen gaan handelen.
Vervolgens komt het 2e gedeelte van den brief van den Wethouder L.M. aan de orde, betreffende het verleenen van stand- Dit document verslaat een overleg over de uitvoering van een (nieuwe) Ventverordening. De kern van de discussie op deze pagina verschuift van de personeelskeuze in de straatverkoop (ijsverkoop) naar de specifieke problematiek rondom lompenventers.

Er is een duidelijk spanningsveld zichtbaar tussen:
1. Handhaving en beperking: De heer Presser wil geen nieuwe vergunningen verlenen. Hij bestempelt nieuwe aanvragers als "bedelaars" en stelt dat alle legitieme (bona fide) venters hun papieren al sinds 1920 op orde hebben.
2. Rechtszekerheid en nuance: De heer Neeter en de Voorzitter pleiten voor voorzichtigheid. Zij houden rekening met venters die van branche willen veranderen.

De uiteindelijke conclusie (het advies aan de Wethouder) is een compromis: er worden in principe geen nieuwe vergunningen voor lompenventen afgegeven, tenzij de aanvrager kan bewijzen dat hij al een actieve venter is in een andere branche. Dit duidt op een bevriezing van de markt voor nieuwe toetreders om "bedelarij" onder het mom van handel tegen te gaan. Het document stamt uit de periode na 1920 (gezien de referentie in de tekst) en voor 1947 (gezien de spelling, zoals "den", "wenscht", en "ys"). De context is de ordening van de publieke ruimte en de informele economie in een grote Nederlandse stad (mogelijk Amsterdam, gezien de structuur met een Wethouder voor Levensmiddelen).

In deze tijd was "venten" (straatverkoop) een belangrijke vorm van inkomsten voor de onderklasse, maar de overheid probeerde dit steeds sterker te reguleren via vergunningsstelsels (de Ventverordening) om overlast te beperken en onderscheid te maken tussen "echte" handelaren en armoedebestrijding/bedelarij. De discussie over "bona fide" (te goeder trouw) versus "bedelaars" is kenmerkend voor de sociaal-economische politiek van die tijd.

Samenvatting

Dit document verslaat een overleg over de uitvoering van een (nieuwe) Ventverordening. De kern van de discussie op deze pagina verschuift van de personeelskeuze in de straatverkoop (ijsverkoop) naar de specifieke problematiek rondom lompenventers.

Er is een duidelijk spanningsveld zichtbaar tussen:
1. Handhaving en beperking: De heer Presser wil geen nieuwe vergunningen verlenen. Hij bestempelt nieuwe aanvragers als "bedelaars" en stelt dat alle legitieme (bona fide) venters hun papieren al sinds 1920 op orde hebben.
2. Rechtszekerheid en nuance: De heer Neeter en de Voorzitter pleiten voor voorzichtigheid. Zij houden rekening met venters die van branche willen veranderen.

De uiteindelijke conclusie (het advies aan de Wethouder) is een compromis: er worden in principe geen nieuwe vergunningen voor lompenventen afgegeven, tenzij de aanvrager kan bewijzen dat hij al een actieve venter is in een andere branche. Dit duidt op een bevriezing van de markt voor nieuwe toetreders om "bedelarij" onder het mom van handel tegen te gaan.

Historische Context

Het document stamt uit de periode na 1920 (gezien de referentie in de tekst) en voor 1947 (gezien de spelling, zoals "den", "wenscht", en "ys"). De context is de ordening van de publieke ruimte en de informele economie in een grote Nederlandse stad (mogelijk Amsterdam, gezien de structuur met een Wethouder voor Levensmiddelen).

In deze tijd was "venten" (straatverkoop) een belangrijke vorm van inkomsten voor de onderklasse, maar de overheid probeerde dit steeds sterker te reguleren via vergunningsstelsels (de Ventverordening) om overlast te beperken en onderscheid te maken tussen "echte" handelaren en armoedebestrijding/bedelarij. De discussie over "bona fide" (te goeder trouw) versus "bedelaars" is kenmerkend voor de sociaal-economische politiek van die tijd.

Kooplieden in dit dossier 3

J. Evertsenstraat Waterlooplein
V.V.O. Waterlooplein
T. Katestraat Waterlooplein

Gerelateerde Documenten 3