Getypte brief (doorslag of officieel afschrift).
Origineel
Getypte brief (doorslag of officieel afschrift). 25 maart 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Marktdienst Amsterdam). Handgeschreven in blauw potlood: verzonden 25/3 onduidelijk, mogelijk: tevens lezen
D/HG.
den Heer Ph. de Vries,
Trompenburgstraat 129,
Amsterdam-Zuid.
Wijk 22B.
27/22/2 M.
25 Maart 1941.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 20 Maart jl. bericht ik U, dat U, gedurende Uw ziekte, vrijstelling van het bezetten van Uw plaats op de markt Ten Katestraat kan worden verleend, indien U omgaand een ziekenbriefje inlevert; het terzake verschuldigde marktgeld moet echter regelmatig wekelijks worden betaald. Indien U niet onverwijld het achterstallige marktgeld (bedragende tot en met 29 Maart a.s. ƒ 6,75) aanzuivert, zal de U verleende plaats op bovengenoemde markt worden ingetrokken.
De Directeur, Deze brief is een zakelijke mededeling van de Amsterdamse marktdienst aan een marktkoopman, de heer Ph. de Vries. De kern van de brief is de afwikkeling van een verzoek om vrijstelling van de bezettingsplicht op de Ten Katemarkt vanwege ziekte.
Hoewel de directeur bereid is uitstel te verlenen voor de fysieke aanwezigheid, stelt hij hier harde voorwaarden aan:
1. Bewijslast: Er moet direct een officieel medisch bewijsstuk ("ziekenbriefje") worden overlegd.
2. Financiële continuïteit: De ziekte ontslaat de koopman niet van zijn betalingsverplichting. De huur voor de standplaats (het marktgeld) moet wekelijks voldaan blijven worden.
3. Sanctie: Er is sprake van een betalingsachterstand van ƒ 6,75. De toon is streng: als dit bedrag niet onmiddellijk wordt betaald, raakt de heer De Vries zijn felbegeerde plek op de markt definitief kwijt.
De brief illustreert de strikte bureaucratische omgang met marktvergunningen in die tijd, waarbij commerciële belangen en regels prevaleerden boven de persoonlijke omstandigheden van de ondernemer. De brief dateert van maart 1941, bijna een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Dit was een periode van toenemende spanningen en repressie in Amsterdam. Slechts een maand voor deze brief vond de Februaristaking plaats als protest tegen de Jodenvervolging.
De context van deze brief is mogelijk extra tragisch: de geadresseerde, Ph. de Vries, woonde in de Trompenburgstraat 129. Dit adres lag in de Rivierenbuurt, een wijk waar in die tijd zeer veel Joodse Amsterdammers woonden. Veel Joodse marktkooplieden probeerden onder steeds moeilijkere omstandigheden hun nering voort te zetten, terwijl zij te maken kregen met uitsluiting en onteigening door de bezetter.
Het feit dat iemand in deze onzekere tijd kampt met ziekte en een betalingsachterstand van enkele guldens, en daarop een dreigement van de gemeente ontvangt over het intrekken van zijn vergunning, geeft een indringend beeld van de dagelijkse overlevingsstrijd van kleine ondernemers (en specifiek Joodse Amsterdammers) tijdens de oorlogsjaren. De administratieve kilheid van de brief staat in scherp contrast met de historische realiteit van 1941.