Officiële brief (getypt).
Origineel
Officiële brief (getypt). 5 september 1941. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Markten, Amsterdam). [Linksboven, handgeschreven:]
M[...]erden 5/9 - '41
[Rechtsboven, handgeschreven:]
Zen. kade Haar
[Rechtsboven, getypt:]
HG.
den Heer J.Bartels,
Sint Antoniesbreestraat 59 I,
Amsterdam-Centrum.
Wijk 2.
[Linksmidden, getypt:]
29/6/2 M.
[Rechtsmidden, getypt:]
5 September 1941.
[Inhoud:]
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 29 Juli jl. verleen ik U hierbij gedurende drie maanden na dato dezes uitstel van Uw verplichting om regelmatig Uw plaats op de markt Nieuwmarkt te bezetten.
U dient er echter voor te zorgen, dat het ook tijdens Uw afwezigheid verschuldigde marktgeld geregeld wekelijks bij den dienstdoenden marktambtenaar wordt betaald.
[Ondertekening:]
De Directeur, Dit document is een officiële beschikking van de Amsterdamse marktmeester of directeur van de marktdienst aan een marktkoopman, de heer J. Bartels. De kern van de brief is de toekenning van een tijdelijk uitstel (drie maanden) voor de bezettingsplicht van een marktplaats op de Nieuwmarkt.
Opvallend is de strikte voorwaarde: hoewel de koopman niet fysiek aanwezig hoeft te zijn om zijn koopwaren te verkopen, blijft de financiële verplichting tot het betalen van het wekelijkse "marktgeld" onveranderd van kracht. Dit wijst op een strak gereguleerd systeem waarbij de inkomsten van de gemeente gegarandeerd moesten blijven, ongeacht de persoonlijke omstandigheden van de standplaatshouder. De brief is gedateerd op 5 september 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De context van de locatie is hierbij cruciaal: de Sint Antoniesbreestraat ligt in het hart van de oude Jodenbuurt in Amsterdam. Gezien de datum en de locatie is het zeer waarschijnlijk dat de heer Bartels of zijn directe omgeving te maken had met de toenemende anti-Joodse maatregelen van de bezetter.
In 1941 werden Joodse Amsterdammers steeds verder geïsoleerd en uit het openbare leven geweerd. Het aanvragen van uitstel voor het bezetten van een marktplaats op de Nieuwmarkt (een markt die van oudsher veel Joodse kooplieden kende) kan wijzen op persoonlijke nood, gedwongen werkloosheid of andere restricties die het onmogelijk maakten om het beroep uit te oefenen. De bureaucratische toon van de brief toont aan dat de formele processen van de stad, zoals het innen van marktgelden, ook onder het regime van de bezetter onverstoord doorgingen. J. Bartels