Ambtelijke rapportage / brief (handgeschreven).
Origineel
Ambtelijke rapportage / brief (handgeschreven). 15 mei 1941. Een Controleur (ondertekening lijkt op J.H. Freijters). In het verloop van den dag, dus na het venten, komen
de vischventers weer van heinde en ver om daar weer, hun
niet kwijt geraakte visch te slijten. Het blijft dus om de
twee vischstandplaatsen heen, zoo’n beetje een clandestien
marktje.
Ik stel U thans dan ook voor, in overleg met den
marktambtenaar van het Waterlooplein, deze beide visch-
standplaatsen en de vaste groente-standplaats van de
kooplieden Prins, Waterman en Waas thans te doen ver-
plaatsen naar de markt het Waterlooplein. Dan is de
steeg ontruimd wat vaste plaatsen aangaat en de ven-
ters moeten dan vanzelf volgen.
Een gedeelte van het Waterlooplein is door onzen dienst
ingericht tot den verkoop van versche visch, voorzien
van betonnen tegels en een spoelpomp, zulks ten ge-
rieve van den kooper en verkooper.
Als U nu in mocht gaan op mijn voorstel, dan
zullen we binnenkort bevrijd zijn van dat clandestiene
marktje.
Voor deze kooplieden zijn thans zeer gunstige plaat-
sen beschikbaar.
Ook aan de financieelen kant heb ik gedacht, de-
ze is dan vooruitgaande.
De markt moet ten slotte de aangewezen plaats
blijven.
Amsterdam, 15 Mei 1941.
Controleur
(w.g.) J.H. Freijters De tekst is geschreven in een zakelijke, ambtelijke stijl met de kenmerkende spelling van voor de Tweede Wereldoorlog (zoals visch, den, onzen). De kern van het schrijven is een voorstel om de overlast van een 'clandestien marktje' in een steeg nabij het Waterlooplein aan te pakken. De controleur stelt voor om de vaste standplaatsen van specifieke kooplieden (Prins, Waterman en Waas) te verplaatsen naar een speciaal ingericht deel van het officiële marktterrein op het Waterlooplein, dat voorzien is van moderne faciliteiten zoals een spoelpomp en betonnen tegels voor de hygiëne.
Opvallend is de nadruk op het woord thans (onderstreept in de originele tekst), wat duidt op een zekere urgentie of het feit dat er op dat moment een specifieke kans ligt om de situatie te reguleren. De datum van het document, 15 mei 1941, is cruciaal voor de historische context. Amsterdam bevond zich op dat moment midden in de Duitse bezetting. Het Waterlooplein lag in het hart van de Joodse buurt. De genoemde achternamen (Prins, Waterman, Waas) zijn typisch Joods-Amsterdamse namen die veelvuldig voorkwamen in de marktsector.
In de loop van 1941 voerden de bezettingsautoriteiten steeds strengere maatregelen in tegen Joodse burgers. Vanaf februari 1941 was het Waterlooplein aangewezen als een 'Joodsche markt', waar alleen Joden mochten handelen en kopen. Dit document illustreert hoe de reguliere ambtelijke molen (marktbeheer) doorging met het 'ordenen' van de handel in de stad, terwijl deze ordening tegelijkertijd nauw verweven raakte met de segregatiepolitiek van de bezetter. De verplaatsing van de kooplieden uit de 'steeg' (waarschijnlijk de nabijgelegen Jodenbreestraat of een zijsteeg) naar het centrale marktplein paste in het beleid om de Joodse handel te concentreren en daarmee beter controleerbaar te maken.